Kouwenaar, Gerrit (1997)


Het gaat om het mooie gedicht

De taal bij de vodden pakken

Dichter Gerrit Kouwenaar te gast bij Poëziekring Eemland.

Vrijdag 20 november 1992 om 20.30 uur leest Gerrit Kouwenaar voor uit zijn werk. In de kleine zaal van Theater De Lieve Vrouw, reserveren onder tel. 033-618865 of aan de kassa. Neerlandicus Jef van de Sande zal de dichter inleiden.
Kouwenaar (1923) is vooral als dichter bekend. Hij behoorde tot de Cobra-beweging en de Experimentelen en stelde in 1965 de bloemlezing 'Vijf 5-tigers' samen. In bundels als 'De ondoordringbare landkaart' (1957) en 'Het gebruik van woorden', later verzameld in 'St. Helena komt later' (1964), liet Kouwenaar zich zien als een sociaal en politiek bewogen experimenteel dichter, vervuld van hetzelfde elan en revolutionair taalgebruik als Lucebert en Jan Elburg met wie hij onder andere een groep vormde: de Vijftigers.

'In het gebruik van woorden' werd al duidelijk dat Kouwenaar een eigen weg zou gaan, één die meer gericht was op het taalgebruik in poëzie. Volgens Kouwenaar die de 'Prijs der Nederlandse Letteren 1989' ontving ter gelegen¬heid waarvan een keuze uit eigen werk onder de titel 'Een eter in het najaar' verscheen, is: 'Taal geen pasklaar bouwpakket, maar ruw materiaal waarmee je aan het werk moet'.
In zijn eerste bundels is hij zelf vaak aanwezig en is de werkelijkheid onder handbereik. Later spreekt een sterke betrokkenheid op de samenleving uit zijn gedichten en ervaart hij zichzelf en de wereld als een 'Ondoor¬dringbare landkaart'. In de bundel 'Hand o.a.' die met het gedicht 'Een uur leven' opent lijkt Kouwenaar de balans op te maken van zijn 'condition humaine'. De eerste regels luiden:
Er is nu wel genoeg gezegd
over wat men zegt de wanhoop.
Het blijft wel regenen.
Elk woord liegt voor zover het uit letters bestaat.

Taal

Kouwenaars verzen maken een bedachtzame en verstandelijke indruk vooral door het sobere en efficiënte taalgebruik.




-In 'Het gebruik van woorden' verdiept u zich in de relatie tussen taal en werkelijkheid; een relatie die problematisch is geworden omdat de taal de werkelijkheid van de mens niet adequaat tot uitdrukking brengt.
Kunt u het problematische van die relatie verklaren?

"Als je kunst maakt doe je iets met de werkelijkheid, je wilt die in dat kunstwerk concretiseren. Het typerende van de taal is dat het een weergave van de werkelijkheid in zich draagt: een stoel is een stoel. Maar het probleem is dat er iets meer met taal gedaan moet worden dan die werkelijk-heid beschrijven. Het woordenboek is niet toereikend; door de taal bij de vodden te pakken kan je haar zo toereikend mogelijk maken. Je moet de taal losmaken van cliché betekenissen om uit te drukken wat en hoe je het zeggen wilt. Daar kom je achter als je een tijdje bezig bent.
Gedichten maken is voorbij de 'inspiratie', gewoon handwerk, dat wil zeggen schuiven met woorden, gebruik maken van bepaalde metra en rijmen desnoods, als je die goed verstopt. Er ontstaat dan een bepaalde structuur die soms niet goed gevuld is. Dan ga ik daarmee aan de gang, wel met handhaving van die structuur."

-Waaruit bestaat uw verwantschap met de dichter Wallace Stevens?

"Ik ontdekte in hem het idee dat als het gedicht zich ontrolt het meer de taal is die het samenstelt dan de dichter. Je geeft je over aan taal. Ideeën en gedachten hebben we allemaal, heus ik heb niet zoveel bijzonders te vertellen en dat ik waarheden zou verkondigen: onzin."

Onder zijn immense snor met ouderwetse omhooggekrulde punten blies hij de rook van z'n sigaret de kamer in.

"Het gaat niet om de ervaringen van Gerrit Kouwenaar, algemene waarheden vastleggen in een gedicht en ze op die manier laten stollen is de wezenlij¬ke taak van de dichter. Het gedicht is een klein eeuwigheidje, een eiland¬je, op dat moment onttrokken aan de tijd. De meest ideale situatie is dat een gedicht niet terug hoeft te wijzen naar de maker.





Als een dichter al jaren dood is bestaat het gedicht nog en is daarmee van alle tijden.
Je schrijft vaak 'naar aanleiding van'. Mijn moeder ging dood en ze zei nog iets. Dan moet dat in woorden gestopt en wat stop je dan in de rouwadver-tentie? De taal heeft daarvoor blijkbaar iets in de kast liggen.
Waar je zelf verbaasd bij staat te kijken is hoe het geschiedt dat naarmate een gedicht vordert het zich gaat vullen met betekenis. Dat de taal je in een richting dwingt, terwijl jij het natuurlijk bent die het potlood hanteert."

Eten en drinken
De vraag: hoe verander je taal die geconsumeerd, verbruikt wordt tot iets duurzaams, lost Kouwenaar nogal eens op door een reeks van woorden uit de consumptiesfeer (met name brood en vlees) uit hun gebruikelijke betekenis te halen en met geheel andere woorden te verbinden (zoals in zijn bundels 'Een eter in het najaar' en 'Volledig volmaakte oneetbare perzik').

-Is eten voor u een persoonlijke filosofie?

"Ja, ik ga uit van materie, het zich in stand houden en voeden met iets wat wij aan de werkelijkheid onttrekken. We verteren en eten opnieuw tot we zelf door die werkelijkheid opgenomen worden. Ik gebruik in mijn gedichten nogal wat eetmetaforen zoals je wel opgevallen zal zijn. (Kouwenaar heeft door het gebruik ervan duidelijk gemaakt dat schrijven van poëzie voor hem een levensnoodzaak is). Maar ik bedoel het ook concreet: met je tanden knarsen. Het is gewoon brood op de plank en dat wijst zowel naar de hongerwinter als naar de poëzie."

-Uw poëzie wordt als 'aards' bestempeld.

"In het algemeen zijn vooropgezette bovenaardse denkbeelden geen uitgangs¬punt van me. Misschien is poëzie uit de aard der zaak zelf metafysisch. Ik denk eigenlijk van wel."

-In hoeverre wijkt uw laatste bundel 'Een geur van verbrande veren' (Querido), af van uw vorige bundels?




"In niets. Die paar jaar er tussen zijn hooguit bepalend en als je een dagje ouder wordt zijn er zaken die zich aan je opdringen. Ik hoop dat de gedichten in de bundel meedelen dat er dingen als de dood gaan spelen. Je tijd wordt korter en vrienden vallen weg."

-Schrijven en eten, honger, doden en dichten, al die begrippen liggen dicht bij elkaar in uw poëzie. Om in leven te blijven moet men eten: 'en mijn geest is zo volledig van vlees/dat ik moet eten.' Wat men eet moet bij voorkeur dood zijn. Is dichten in die zin een vorm van doden?

"Het is meer stilleggen, onttrekken aan de tijd. Maar een soort doodmaken, kan je het ook wel noemen.
Dood, liefde en honger zijn de punten waarop je blijft hangen en het zijn de werkelijke dingen waar je mee te maken hebt. Alles wijst daarnaar terug."

-Uw poëzie wordt hogelijk gewaardeerd. U zegt: ik werk niet voortdurend omdat ik mezelf zo graag wil bewijzen. Ik wil gewoon nog een paar aardige dingen maken. Wat breder werk, niet van die mooie druppels, maar grotere cycli.

"Het kost me al veel moeite om een druppel te laten vallen. Ik heb wel dingen in m'n hoofd die hopelijk nog eens een glas zullen vullen.
Als je een oeuvretje achter je hebt liggen wil je iets zodanig toevoegen dat het uit de kunst is. Het doet er niet toe of het veel of weinig is; maar alleen aardig is niet genoeg, het moet perfect zijn."

-Wat houdt die perfectie in?

"Dat het gedicht goed in elkaar steekt en dat het overleeft. Het vermogen heeft iets over te dragen. Door middel van taal en niet: wat heeft Kouwe¬naar dat mooi gedacht. Het gaat om het mooie gedicht."

Ellen de Jong - de Wilde




-5-
@340@342de taal@360
@318 De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord -

Het is zoals ieder jaar, de tijd
zit krap in zijn heden, vandaag
is steeds weer geweeest

steek dus het licht aan
dat de toekomst nog uitspaart, spreek
het brood aan dat nog niet doof is, maak
de taal waar achter zijn tekens, spel
het vlees, stil de tijd, leef nog even -