Korteweg, Anton

Anton Korteweg bij Poëziekring Eemland.

Er zal altijd een spanning blijven tussen berusting en verlangen

Op vrijdagavond 26 mei 1995 of 1989 ? leest dichter Anton Korteweg als
laatste in het succesvolle seizoen van de Poëziekring, voor uit eigen werk
in Theater De Lieve Vrouw; hij zal ingeleid worden door bestuurslid Marga
Hiemstra. In 1986 ontving hij de A.Roland Holst penning voor zijn poëzie oeuvre.
'Het wil mij maar aan niets ontbreken' dichtte Anton Korteweg. Dat is waar:

Hij is direkteur van het Letterkundig Museum in Den Haag, heeft een leuk
gezin met twee kinderen en een fijn huis in Leiden.



Als hij naar zijn werk fietst, inspireert hem dat wel eens tot het
schrijven van het volgende gedicht:



Dankbaar



Een lieve vrouw, een mooie baan, prachtig

huis.

'k Dank U hartgrondig voor die

gunstbewijzen.

Ook voor mijn snelle fiets, met inbegrip

van niet te demonteren kinderzit.



Anton Korteweg (Zevenbergen, 1944) heeft een aantal dichtbundels geschreven
die nogal eens ironisch en somber van toon zijn. Hij bezingt de benauwenis
van het huiselijk geluk, de verstikkende regelmaat van zijn baan, de
onmogelijkheid van zichzelf los te raken, het verlangen naar de
geborgenheid van zijn jeugd. Hij debuteerde met de bundel 'Niks geen
Romantic Agony', waarin het familieleven van zijn calvinistische jeugd
verschijnt. De godsdienst hing zwaar in de kamer. De enge sfeer van deze
jeugd roept Korteweg op met een bijbels taalgebruik, alsof de psalmen nog
in zijn achterhoofd dreunen.



We trokken ons terug in zijn werkdomein, licht, ruim en overzichtelijk. Met
een ingetogen sfeer. Anton Korteweg steunde op z'n elleboog, blik op de
tafel voor hem gericht. Toen ik hem de eerste vraag stelde, keek hij me
helder en vriendelijk aan.


De taboesfeer van uw jeugd doet u naar Romantic Agony verlangen, maar de
bundel heet 'Niks geen Romantic Agony'. Is dat te zien als een
verontschuldiging voor het ontbreken van felheid in die poëzie en in het
daarin beschreven leven?



"Het laatste wel, in ieder geval. Een van de belangrijkste
literatuurstudies die aan het begin van deze eeuw geschreven zijn:

'The Romantic Agony' van Mario Praz (over de romantische dichters van
vorige eeuwen die de liefde als pijn in hun poëzie beschreven) heb ik tot
mijn genoegen moeten lezen omdat ik Algemene Literatuur Wetenschappen
studeerde. Het is een curieus boek wat vooral gaat over de verbinding van
erotiek en dood. Tegen die achtergrond zet ik in die bundel m'n jeugd af
en zeg ik: dat is niks geen Romantic Agony, dat is een heel ander soort
leven dan in dat boek van Praz beschreven wordt.

Er zit ook iets van spijt in, van goh, was het maar zoals in zijn boek. In
het titelgedicht uit die bundel schrijf ik ook:

'buiten op straat/lopen in de mist op de vallende blaren schimmige
vrouwen;/ doodgewoon/onmogelijk is het/ ze te zien als Belle Dames sans
Merci, of Persecuted Virgins.' "Het is een mengeling van spijt en ook wel
een soort tevredenheid dat het is zoals het is. "



Autobiografisch



Kortewegs gedichten maken een autobiografische indruk. Uit zijn eerste
drie bundels, waarin veel gedichten staan over zijn jeugd, het opgroeien,
het geloof, de eerste baan als leraar Nederlands, stelde Korteweg in 1988
een bloemlezing samen: 'Dierbare tijden'. Tegelijk hiermee verscheen zijn
bundel 'Voor de goede orde'. In een aantal gedichten hieruit treurt hij om
alle compromissen die hij heeft moeten sluiten, om het vooruitzicht dat
zijn leven 'nog lang en banaal' zal zijn. Hij merkt hoe gevoelens
vervlakken, mogelijkheden wijken, passie slijt.


Het kost moeite om de ik-persoon uit uw gedichtenbundels niet te zien als
Anton Korteweg, want die persoon heeft veel gemeen met hem: dezelfde baan,
woonplaats en gezin.

"Soms stap ik er een keer uit, maar het is inderdaad zo, hoewel je in
theorie de ik uit het gedicht niet gelijk mag stellen met de biografische
ik, dat het in mijn geval dicht in de buurt komt. Wel met allerlei
wijzigingen, bijvoorbeeld terwille van het rijm, maar ook om het gedicht
toch nog wat pregnanter dan de werkelijkheid te maken. Maar in het
algemeen schrijf ik over dingen die ik zelf meemaak. Het is een soort
berijmd dagboek, al is dat wat veel gezegd. "



U zegt in een interview (NRC Handelsblad '91): 'Die gedichten liggen
dicht bij mijn eigen leven. Ik zou niet gauw iets echt helemaal verzinnen.
Gedichten zijn als potloodslijpsel; het afval van je leven en werk. En
poëzie is voor mij een vorm van zelfbegeleiding.

"Dat geldt nog steeds, tenzij ik in opdracht gedichten schrijf. Het is een
manier om met jezelf in gesprek te blijven."


In uw gedichten klinkt een verlangen door naar iets groters dan dit
betrekkelijke leven.


"Dat zal iedereen wel hebben, dus ik ook. Er zal altijd een spanning
blijven tussen berusting en verlangen. Realiteit en het idee dat er nog
meer is. Dat houd je ook een beetje ontevreden en dat is maar goed ook,
want anders kom je nergens toe. Het type dichter dat ik ben doet dan
niets. Je hebt ook dichters die bijvoorbeeld vanuit een soort religieuze
volheid of een voortdurende verliefdheid, of God mag weten wat, poá‰ázie
schrijven. En er zijn dichters die vinden dat de dingen zijn zoals ze
eigenlijk niet moeten zijn en daarom gedichten schrijven en daar hoor ik
eerder bij. "



Van Korteweg verschenen tevens 'De stormwind van zijn hand', waarin hij
zacht spot met godsdienst, erotiek en zichzelf, 'Geen beter leven' en
'Eeuwig heimwee drijft hem voort'. De titel van Kortewegs bundel 'Tussen
twee stilten', is ontleend aan het gedicht 'Zondag' van J.C.Bloem. De
slotstrofe daarvan luidt:
'Niet te verzoenen is het leven./ Ten einde is dit wellicht nog 't meest:/

Te kunnen zeggen: het is even/ Tussen twee stilten luid geweest.'
Dus begint Kortewegs bundel met verzen over geboren worden en eindigt hij
met gedichten over sterven en (doods)angst.

Als 'proloogje' is er 'Zelfkennis' en als 'epiloogje' een vertaling van
Rilke's 'Archaá‹ásche torso van Apollo'.



Wat betekent Bloem voor u?



"Hij lag mij vanaf mijn jeugd al na aan het hart, terwijl het toch eerder
een dichter is voor oudere teleurgestelde mensen, vind ik nu achteraf. Maar
misschien had ik dat idee vroeger al een beetje; mensen die het allemaal
wel gezien hebben en zich dan troosten met het feit dat de dingen zijn
zoals ze zijn. En dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn.

Het is kennelijk een dichter die goed bij mijn temperament past, van jongs
af aan. Ik kan me niet herinneren, in vergelijking met Bloem, wat ik aan
de Vijftigers beleefd heb en dat is toch wel gek, want dat waren dichters
van mijn generatie. Voor veel mensen van mijn leeftijd waren toen Andreus,
Lucebert en Campert de idolen. Ik heb ze wel bewonderd en vooral de
(vroege) erotische gedichten van Andreus, maar Bloem was dichter bij me. Ik
kon Bloem gemakkelijk onthouden, dat is toch wel enigszins een criterium.
Ja, die gelatenheid van hem en dat alles zo verregaand in het perspectief
van de eeuwigheid bekijken is mij eigen," zei Korteweg toen het even stil
was tussen ons en ik tevreden bij mezelf constateerde dat ik ook nog een
paar dichtregels van Bloem onthouden had.



De flaptekst van Kortewegs laatste bundel 'Stand van zaken' vermeldt:

'Met de jaren is de toon milder geworden, maar gebleven is het knagende
bewustzijn van de onvervulbaarheid, zolang het leven duurt, van het
verlangen naar een ander bestaan.'



Ondanks dat verlangen toch zingeven door te schrijven.



"In een van mijn bundels staat een motto van Pascal wat hierop neerkomt:

Je moet jezelf kennen ook als het helemaal nergens goed voor is dan dient
het tenminste nog om je leven in te richten. Dat vind ik een ware
uitspraak. Voor mij dient het dichten om jezelf te kennen en daarmee dus
ook om je leven in te richten, om een beetje met jezelf in gesprek te
blijven. Het dient dan toch voor je geestelijke huishouding. De een put
zich uit in een marathon om daardoor geestelijk in evenwicht te blijven en
de ander doet dat door allerlei rare kabouters in zijn tuin te zetten. En
ik voel me prettiger als ik af en toe wat opschrijf dan wanneer ik het niet
doe."



Ellen de Jong-de Wilde.


Ouder worden



Wie plotseling ervaart dat hij de geur

niet meer ruikt van haar jas, de glans

van haar haar niet meer ziet, hoe smal

haar handen, aarzelend haar mond,



die weet: wij kunnen niets meer dan

alleen maar ouder worden, elk voor zich.



Sterven van steeds meer dorst,

leven met steeds minder water.



(Uit: Tussen twee stilten)

Anton Korteweg



Op verzoek



Dat ik van je hou, dat wil ik dan

ook wel eens schrijven, nu je dat

zo vraagt. Want ik hou van je en

niet eens zo zelden, gezien de

vierduizend dagen en nachten.


Dat het lijkt of je nauwelijks
ouder geworden bent, dat
je soms nog ver weg kijkt als
was je verliefd, dat
je handen nog mooi zijn, verder
zou ik toch niet willen gaan.


Dat ik je wang soms zoek en niet
je mond.



(Uit: Tussen twee stilten).

Anton Korteweg