Julien, Dr Paul



Dr Paul Julien schrijft in zijn voorwoord van 'Kampvuren langs de Evenaar:
MIJN GROTE, NIET AFLATENDE LIEFDE IS NU EENMAAL AFRIKA.
Het is ongetwijfeld een merkwaardige gebeurtenis wanneer een auteur de taak
krijgt om een boek, dat hij zelf meer dan een halve eeuw geleden geschreven
heeft, opnieuw van een inleidend voorwoord te voorzien omdat het boek
opnieuw wordt uitgegeven. 'Kampvuren langs de Evenaar' is een Afrikaans
boek, spreekt over mijn eerste Afrikaanse jaren, over het werk dat ik daar
te verrichten had en vooral over de bontgeschakeerde bevolkingen onder wie
mijn anthropologische onderzoekingen plaatshadden en de nog veelkleuriger
gebruiken die ik daar aantrof en die mij soms nog meer boeiden dan het
fysisch-anthropologische deel van mijn taak. Sinds ik mijn eerste stappen in Afrika zette, dat was in 1926, zijn meer dan zestig jaren verstreken. Het nu opnieuw uitgegeven boek is, wat de inhoud betreft, praktisch onveranderd herdrukt. Het beschrijft derhalve gebeurtenissen en toestanden die, althans ten dele, niet in deze tijd passen
en, ook al weer: ten dele, slechts historische betekenis hebben, want in
Afrika zelf is onnoemelijk veel veranderd, om te beginnen wat de politieke
structuren betreft. Praktisch het hele continent is thans onafhankelijk,
wordt althans bestuurd door functionarissen uit het eigen land. Vrede en
rust hebben deze dikwijls revolutionaire mutaties niet gebracht. Afgezien
van soms sedert eeuwen traditionele stamoorlogen was het Afrikaanse
continent een relatief vreedzaam gebied. Tijdens de 28, of waren het er 29?, expedities die ik er heb uitgevoerd en waarbij ik telkenmale toch
minstens twee, drie, soms meer gebieden bereisde, heb ik nooit moeilijkheden
van politieke aard ondervonden, nooit te maken gehad met vijandelijkheden
van de bevolkingen bij wie ik, meestal alleen, mijn taak te volbrengen
had. Integendeel, in de korte tijd die ik daaraan kon geven, heb ik mij
talrijke vrienden verworven en elke afsluiting van een karavaanreis, hoe
inspannend en resultaat-arm soms ook, betekende steeds een afscheid van
vriendschappelijke helpers, soms waardevolle medewerkers en dat afscheid was altijd een verlies. Zo voelden we het aan beide zijden.'
Aldus Dr Paul Julien in zijn voorwoord.
Met behulp van omvangrijke dragerskaravanen trok Dr Paul Julien vele malen
het oerwoud in om daar anthropologische onderzoekingen uit te voeren. In
veel gebieden was hij de eerste blanke wetenschapper met wie de plaatselijke
bosbevolking in aanraking kwam. En dat leverde tal van avontuurlijke
verhalen op. Zijn ervaringen, beschreven in vier boeken, zijn interessant
voor lezers van alle leeftijden. Julien maakte bijvoorbeeld de ongelooflijke slangendanser van Ngagboma mee, hij beklom tegen alle adviezen in de onherbergzame Mount Kunon; sluit een opvallende vriendschap met de melaatse dwerg Mbei. Beschrijft de geschiedenis van de 'Poroh', een geheime, uiterst wijd verspreide organisatie die de overgang van kind tot volwassene onder een bepaald ritueel voltrekt. Hij is getuige van de terroristische activiteiten van de
pantergemeenschappen , 'the leopardmen' en 'the human alligators'.
Destijds, tientallen jaren geleden was 'Kampvuren langs de Evenaar' een
nationale en internationale bestseller en verschenen vertalingen in het
Frans, Duits, Spaans, Italiaans, Deens, Zweeds, Noors, en zelfs in het Fins.
De nieuwe editie is geïllustreerd met 32 paginagrote treffende opnames uit
het fotoarchief van de schrijver, dat voor het overgrote deel nog nooit is
gepubliceerd.

Voor de voordeur van Julien's huis in Wassenaar stonden twee markante
beelden van een leeuw. Hoe kon het ook anders. Boven de deur een ikoon met
een afbeelding van de Heilige Maagd.
Mevrouw Julien deed open. Dr Paul Julien kwam de trap af. Ik besefte het
unieke van deze ontmoeting. Met z'n drieën in de donker gemeubileerde
huiskamer stak Julien direct van wal: ''Dit is zo ongeveer de 20e druk van 'Kampvuren langs de Evenaar'; ik weet
het niet precies meer. Uitgegeven bij verschillende uitgevers die er niet
eens meer zijn. In een oplage van 100.000 exemplaren, in 't Nederlands dan.
Want mijn boek is tot in het Fins vertaald." Is de nieuwe uitgave inhoudelijk niet veranderd?"Nee, er is niets veranderd. Omdat het uitverkocht was is het opnieuw
gedrukt. Het is 54 jaar geleden geschreven. Het zal niet veel voorkomen dat
een schrijver bij levenden lijve zijn boek opnieuw ziet verschijnen, daar
mag ik toch wel oprecht trots op zijn. Hij keek me scherp aan.
Vanzelfsprekend was ik dat met hem eens. Het was uniek.
Zijn vrouw vult aan:
"Daar juicht een ieder over dat het na zoveel jaar weer verschijnt, dat
geeft beslist pushing power."

Bent u tevreden over deze nieuwe uitgave?
"Ja en de foto's zijn ook prima. Hoewel het me liever was geweest als het in
koperdiepdruk was gebeurd. Maar dat is veel te kostbaar, dat begrijp ik
wel."
Mevrouw Julien: "Het is een tijdloos boek en dat geldt ook voor 'De eeuwige wildernis', 'Pygmeeën', 'Zonen van Cham', die na elkaar verschenen."
Julien: "Als 'Kampvuren langs de Evenaar' succes heeft worden de anderen ook
herdrukt.
Mijn vrouw en ik zijn vier jaar geleden in Maleisië geweest en hebben samen
een anthropologisch onderzoek naar de Semang Pygmeeën gedaan. Hoogst
interessant." U vraagt zich in uw inleiding af waarom u toch elke keer weer terugkeerde
naar de troosteloze hete savannen, de donkere, eenzame bossen, de sombere
moerassen van de equatoriale wereld. U heeft het antwoord nooit gevonden?

"Nee. Mijn belangstelling voor de schepping: mens, land en natuur houdt
nooit op. Ik ben afgestudeerd in de chemie, maar ik ben anthropoloog in hart
en nieren. Ik heb in wetenschappelijke tijdschriften over mijn ethno- serologische bevindingen geschreven. Dat is voor het grote publiek volkomen
oninteressant, het zijn cijfers en statistieken. Boeken heb ik alleen over
Afrika geschreven. Mijn grote nooit afnemende liefde is nu eenmaal Afrika,
daarom ging ik elke keer terug." U hebt ook in Zuid-Amerika en vooral in Azië gewerkt.
"In het bijzonder onder stammen, geïsoleerde groepen, van Midden India. Dat
waren mooie mensen." Julien's blik keerde zich naar binnen. Hij zag z'n
geliefde mensen weer voor zich. Heeft u daar nooit over geschreven?
"Ronduit gezegd: daar ben ik nooit aan toe gekomen. Bovendien was ik van
alles meer op de hoogte in Afrika. En op meerdere gebieden deskundig. Ik heb
daar tenslotte 29 expedities gehad. In Azië maar 9 of 10. En ik heb me de
'pidgintaal' (verbasterde taal van hoofdzakelijk Engels en Portugees) eigen
gemaakt, waardoor ik toch ook de diepste band met Afrika heb."
Op bladzijde 61 schrijft u: 'Inderdaad, de islam dringt angstwekkend op,
althans in bepaalde gedeelten van Afrika. Waarom angstwekkend?
Julien keek me streng aan:"Omdat ik Christen ben, zoals u gemerkt zult hebben Katholiek, en ik wil het
weten ook. De islam dreigt het Christendom te verdringen, dat gaat me aan
het hart. Vandaar: angstwekkend." Op bladzijde 72 schrijft u: 'Behalve de natuurlijke verwantschap van de
negermentaliteit met de geesteshouding van de islam, zijn tal van
omstandigheden van sociale aard ten gunste van deze godsdienst. Wat houdt
die verwantschap in?
"Dat is een sommering van vele kleinigheden; is moeilijk. Om iets te noemen: De islamieten zijn toleranter wat betreft tovenarij bijvoorbeeld. Ze laten
meer toe dan welke zendeling of missionaris ook toe zou laten. Zij stellen
dat de islam de godsdienst is voor de gekleurde man. Het Christendom
daarentegen is voor de blanke. En dat gaat erin als koek natuurlijk.
Bovendien doen de islamieten zich altijd voor als dé vrienden van de
Afrikaanse mens en zij tolereren ook nog de polygamie." In het verhaal 'Nzjok' beschrijft u dat u na jaren in tropisch Afrika te
hebben doorgebracht, eigenlijk pas laat kennisnam van de verwoestingen die
olifanten kunnen aanrichten op de aanplant van maniokvelden en
bananenplantages. Hoe u dat aangreep en hoe u vooral ontroerd werd door de
strijd die de negers tegen de natuur moesten voeren. U schrijft:
'Zo waakt Afrika over de vruchten des velds. Een diepe ontroering maakt zich
van me meester en ik verwijt me dat ik, hoewel ik nu al tien jaar in Afrika
werkzaam ben en al tien jaar dagelijks zwarten om me heen heb, toch nog zo
weinig van deze mensen, mijn mensen, weet en begrijp. Hoe weinig besef ik
van de problemen van de mensen met wie ik dagelijks werk, die me vergezellen
door de wildernissen van dit armzalig werelddeel, van deze zwarten die in
honderdtallen mijn dragerskaravanen vormen. Onze paden kruisen zich en
ondanks alles blijven we vreemden, leven we ieder in een andere wereld. Maar
hier, aan de rand van de wildernis waar de zwarte mensheid kampt om haar
bestaan, vecht tegen de vernietigende machten van de natuur die aan alle
kanten opdringen, hier leer ik mijn medemensen beter begrijpen. In één nacht
aan de smeulende wachtvuren in de aanplantingen, ben ik Afrika's mensdom
nader gekomen dan in jaren arbeid naast hen. Hier zijn we broeders; vannacht
ben ik een van hen. En het is mij een diepe vreugde als ik zie hoe deze
eenvoudige, zwarte landbouwers mij als een van de hunnen aanvaarden.'
"Het zijn zulke intense gevoelservaringen dat ik er eigenlijk weinig over
kan zeggen. Wat ik erover schreef spreekt voor zich. Waar ik vooral trots op
ben is dat ik nog nooit echte moeilijkheden heb gehad met negers en dat ik
me ook zelden onveilig heb gevoeld."
Mevrouw Julien: "Het is een warmhartig boek."

Julien: "Ik heb zoveel lieve dingen meegemaakt met diverse inboorlingen,
terwijl je toch veel ontgaat, vanwege de taal, ook al heb je tolken. Het is
toch vaak behelpen. Afrika heeft 600 talen, dialecten niet meegerekend.
India heeft ook zeer mijn liefde, vanwege de kunst en originaliteit. De
Indiase culturen worden gehandhaafd, terwijl in Afrika alles zich tot één
massa oplost." Wat heeft u nog voor plannen?
"Mon Dieu!
Mijn partnerin kan helaas niet tegen de hitte en de armoede en dan wordt het
moeilijk dergelijke reizen weer te maken. Maar ik ben volop bezig mijn boek
uit te geven in Amerika. Dan kan ik in Californië wellicht lezingen gaan
geven. Over het algemeen trekt Amerika me niet bijzonder omdat het geen
eigen cultuur heeft. Peru, dat vind ik een buitengewoon interessant land.
Maar ik zou wel naar de tropen willen gaan. Als je ouder wordt heb je steeds
meer warmte nodig. Letterlijk. Ik heb nooit last van de hitte alleen in
Noord-Java heb ik het eens echt heet gehad. In het kalksteengebergte. Dat
was niet mis.Voor u weggaat wil ik nog even samenvatten: Mijn werkterrein is het
bestuderen van geïsoleerde groepen (isolaten); m'n belangstelling is twee-
ledig: Fysiologisch betreft dat mijn bloedanalyses. Cultureel-
anthropologisch is dat mijn interesse voor cultuur en vooral voor de
traditionele godsdiensten, (speciaal in 'Pygmeeën aan de orde'). Waarom
isolaten interessant zijn?
Omdat je de meeste kans hebt oude bevolkingsresten te ontdekken. Vermenging
is er natuurlijk niet bij, anders zijn het geen isolaten meer."
U bent 92 jaar, en gezien vele ontberingen tijdens uw reizen, ijzersterk.
Hoe zag uw dagmenu eruit? "s Morgens at ik havermout. Ik sneed een stuk van een gedroogde staaf af en
loste dat op in water; 's middags: kip met rijst en 's avonds: rijst met
kip!"
Mevrouw Julien keek haar man verheerlijkt aan: "Dat at hij weken lang."

Ellen de Jong-de Wilde.


=====
http://krant.telegraaf.nl/krant/enverder/venster/reizen/reis.Diversen/reis.980912drpauljulien.html


Dr. Paul Julien,
de op één na laatste ontdekkingsreizigers
Een portret van een 97-jarige Nederlandse 'avonturier'
door Anoushka van Bemmel
WASSENAAR - Achtendertig maal vertrokken de karavanen van dr. Paul Julien, waarvan 28 maal of was het 29? voor expedities in Afrika. Zijn ontdekkingstochten, ook door Azië, Zuid-Amerika en de Pacific, konden vele maanden duren. Te voet en per boot, getergd door tropische stortbuien en bedreigd door gorilla's en malaria, waren zijn belevenissen in de bosgordel in Afrika toch de meest memorabele.
Dr. Julien doet het nu wat rustiger aan, maar de liefde voor het reizen heb je in je bloed
(foto: Sjoerd Quint)
Hoewel gepromoveerd in de chemie, gaf Julien, geboren op 28 maart 1901 te Utrecht en nu woonachtig in Wassenaar, de voorkeur aan de antropologische wetenschap. In het eenvoudige laboratorium dat hij mee liet dragen, deed hij onderzoek naar de plaats van Afrikaanse stammen, met name de pygmeeën, in de evolutie van de mensheid. Hij maakte zo het koloniale en het onafhankelijke Afrika mee.Een portret van een 97-jarige Nederlandse 'avonturier'
Het schemerige vertrek staat vol uitheems antiek: Indiase beelden bovenop een piano en een kamerscherm van verfijnd houtsnijwerk rust tegen de muur. Op de schouw een aangrijpend Jezusbeeld, twee grote kandelaars en een gebedsbel, maar ook een angstaanjagende fetisj. Het meubilair is chic en versleten. Dit is het heiligdom van een Nederlandse ontdekkingsreiziger: de 97-jarige dr. Paul Julien.
Klein en gebogen in zijn grijze pak, schuifelt hij binnen. Als hij zich met kleine stapjes naar een groene fauteuil begeeft, valt zijn oog op iets dat glinstert op het tapijt uit Perzië. Moeiteloos raapt hij een klein muntje op, een Hollands dubbeltje. 'Is dit van u?', vraagt hij beleefd. Hij installeert zich, maar na een minuut wil hij plotseling van plaats wisselen: aan mijn kant ligt een doos sigaren op een teakhouten tafeltje. Het blijft lang stil, terwijl Dr. Julien in zijn zakken naar lucifers zoekt.
Tabak
"Als ik zo een sigaar opsteek," klinkt het plotseling, "dan denk ik aan de 200 kilo tabak die ik altijd door mijn dragers liet meenemen. En 100 kilo zout per expeditie was ook heel normaal." Gehuld in een dikke wolk vertelt Julien over een van zijn 28 expedities 'of waren het er 29?' naar equatoriaal Afrika.
Hij vond pygmeeën en hij onderzocht er dizend in twee maanden tijd.
"Mijn eerste verre reis was in 1926. Ik reisde per trein en per auto naar Zuid-Algerije. Met mijn vader heb ik daar te paard enige honderden kilometers afgelegd. We overnachtten waar we een gelegenheid vonden. Soms in kleine Franse hotelletjes en een andere keer in een hutje bij de inboorlingen. Het gebied interesseerde ons bijzonder vanwege zijn architectuur. Ik herinner mij bijvoorbeeld nog de hoge leembouw."
Zijn eerste echte omvangrijke wetenschappelijke expeditie in Afrika maakte hij in 1933 naar Kongo. Julien speurde het Tigoriwoud af om met eigen ogen een mysterieus Afrikaans dwergvolk te aanschouwen, de pygmeeën. Per stoomboot reisde hij naar de Afrikaanse kust en trok daarvandaan het oerwoud in. Tachtig Afrikanen droegen zijn laboratorium, film- en geluidsapparatuur, tientallen kisten met kippen, geboucaneerd vlees, maniok, schoenen en kleding.
Nieuwsgierig
"Bloedonderzoek werd mijn hoofddoel. Ik had natuurlijk geen vrieskist bij me."
Op de vraag of hij het behalve voor de wetenschap ook niet voor het reizen zelf deed, antwoordt hij beslist: "Ja natuurlijk. Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar andere culturen. Maar ik deed het vooral voor de wetenschap. Ik wilde onderzoeken wat de plaats van Afrikaanse stammen was in de evolutie van de mensheid." Dat was zijn ideaal, zijn motor.
Het is moeilijk voor te stellen dat deze gedistingeerde man in talrijke moeilijke omstandigheden heeft verkeerd, zoals hij beschrijft in zijn beroemde reisboek 'Kampvuren langs de Evenaar'. Midden in het oerwoud van Sierra Leone vraagt hij zich af of zijn dragers wel te vertrouwen zijn.
"Het kan zijn dat ik koorts krijg, maar ik voel me haast fysiek onwel. Als ze me hier willen verdonkeremanen, zeg ik bij mezelf, zal er nooit een haan naar kraaien. Ze kunnen, als ik niet terugkom, later zeggen dat ik ben omgekomen, dat ik ben verdronken bij het oversteken, toen de lianenbrug voor onze ogen brak en niemand zal ooit weten waar ik ergens in het moeras lag.
Wat zijn dat voor gedachten, vraag ik mezelf af. Je hebt koorts, je krijgt malaria, voel maar hoe je pols jaagt. De angst hier in deze wildernis ziek te worden, geeft me nieuwe kracht, jaagt me op, hoewel mijn hooft bonst en er koude rillingen over mijn lichaam lopen." Julien heeft maar twee keer malaria gehad en "hoe heet dat ook alweer... oh ja... dysenterie!"
Duizenden
Ook werden de pygmeeën gemeten.
Hij vond pygmeeën en hij onderzocht er duizend in twee maanden tijd. "Bloedonderzoek werd mijn hoofddoel. Dat kostte ontzaglijk veel tijd en inspanning. Ik had natuurlijk geen vrieskist bij me. Als de bloedafname gelukt was, moest ik heel snel onderzoek doen, omdat het monster anders zou bederven. Dat betekende dat ik vaak tot twee of drie uur 's nachts in mijn tent doorwerkte."
Aanvankelijk werkte Julien volgens de oude antropologische methode uit het begin van de eeuw: de antropometrie. Maandenlang noteerde hij in tientallen schriften lichaamslengtes, de omvang van schedels en de kleuren van ogen, huid en haar. "Het was een heidens karwei, maar het leverde niets op. Toch dachten ze dat dat de beste methode was."
Hij stapte over op de fysische antropolgie waarin onderzoek naar bloedgroepen heel belangrijk is en ontdekte grote genetische verschillen tussen pygmeeën en bosjesmannen, terwijl tot dan toe aangenomen werd dat die van hetzelfde ras waren. Ook bleek dat de bloedeigenschappen van west-pygmeeën en centraal-pygmeeën sterker van elkaar verschilden dan de bloedgroepen van welke twee willekeurige volken ter wereld ook.

De karavaan nam zelfs een compleet laboratorium mee.
Dat betekende dat west- en centraal-pygmeeën uitsluitend op basis van hun uiterlijk 'pygmeeën' werden genoemd. Julien sloot steeds meer vriendschappen met Afrikanen, waardoor zijn interesse in hun leefgewoonten toenam. Nachtenlang hield hij met behulp van een tolk gesprekken met pygmeeën. Het bleek dat dit volk in één god geloofde en niet zoals destijds werd aangenomen, in meerdere goden.
Mensenvlees
Ook liet hij zien dat afschrikwekkende ideeën over kannibalen en geheime genootschappen onterecht waren. Mensenvlees bleek slechts in heel kleine hoeveelheden te worden verorberd. Het was vooral een symbolische daad. Verder zag hij dat geheime genootschappen niet meer dan essentiële opvoedingsinstituten zijn.
De koloniale periode was de beste tijd voor zijn werk. "Je ging naar een stadje en vervolgens naar het kampement of dorp. Daar werd de bevolking bij elkaar getrommeld. De kolonisatoren hielpen mij. Die mensen kénden hun streken en zeiden: "Daar moet je niet heen gaan, want daar wonen geen mensen" of "Die zijn lastig". Dragers recruteren was een koud kunstje. "Zodra zich het gerucht verspreidde dat iemand het binnenland in wilde, stonden er binnen een kwartier 40 liefhebbers voor de deur."
Toen in de jaren 50 de eerste Afrikaanse landen onafhankelijk werden, viel de koloniale steun weg. "Dat was niet makkelijk. De Afrikaanse gezaghebbers wisten vaak niet eens waar het volgende dorp lag. Ik vroeg me soms af of ik door moest gaan met mijn onderzoeken in Afrika, want het was vaak verknoeien van tijd." De wanhoop van toen is weer op het gerimpelde gezicht te lezen. "Het is niet dat we tegengewerkt werden, de nieuwe gezaghebbers wisten gewoon niets. Zonder koloniale steun werd mijn werk steeds moeilijker uitvoerbaar. Het gezag dat ik kon uitoefenen over de dorpsbewoners werd ook steeds minder. Dorpelingen negeerden me. Een doodenkele keer kon je een vrijwilliger te pakken krijgen. En dat terwijl ik voor een goed bloedonderzoek minstens 500 individuen nodig had!"
Onveiliger
De karavanen bestonden uit een man of 30. Maar in onafhankelijk Afrika dijde dat aantal steeds verder uit. Het continent werd alsmaar onveiliger, omdat het gezag zich nergens wat van aantrok. Als de karavaan een moeilijke streek door trok, sloten steeds meer mensen zich aan om bescherming te zoeken.
"Op een dag merkte ik dat er iets niet klopte. Ik kon toch niet zoveel mensen hebben aangenomen? Toen ik op mijn lijst keek, zag ik dat het er 44 moesten zijn, maar het waren er meer dan 80! Die extra 40 moesten ook eten en wie mocht dat betalen...? Ikke!", roept hij venijnig. "Naarmate Afrika Afrikaanser werd, namen mijn problemen steeds toe. Op een goede dag heb ik besloten om ermee te stoppen. Azië werd mijn nieuwe werkterrein. Ik ben nooit meer in Afrika terug geweest."
Ik vraag hem wanneer en waarheen zijn laatste reis door Afrika was. Hij weet het niet meer: "Ach, weet u, ik heb zoveel reizen naar Afrika gemaakt, de laatste zal ergens in de jaren 50 zijn geweest en ik dacht naar Kenia..."
Loon
Zijn expedities werden maar voor 15% gesubsidieerd. Met zijn schamele loon als leraar scheikunde, lezingen voor onder andere de KRO-radio, filmvoordrachten en later met de verkoop van boeken, bekostigde hij zelf de rest. Zijn dragers kregen hun loon uitgekeerd in zout, ter waarde van 60 cent per dag. "Ik heb blijkbaar de gave om met een minimum aan middelen te reizen. Als ik nu foto's van mijn karavanen zie, zó veel mensen, dan vraag ik me af hoe ik dat ooit heb gefinancierd!"
Julien was de eerste antropoloog die Nederlanders op beeldende en begrijpelijke wijze kon laten zien wat reizen inhield. Daarnaast liet hij zien en horen hoe het leven in Afrika was en relativeerde hij de stereotiepe beelden van het westen over Afrika. Het gevecht van Afrikanen tegen de natuur: de ontginningsstrijd tegen het steeds terugkerende onkruid, ziekten, onvoorspelbare regenval, bederf en verwoestingen door olifanten, vogels, knaagdieren en sprinkhanenplagen worden herhaaldelijk in zijn boeken beschreven.
Wetenschap en reizen zijn voor hem nog altijd onafscheidelijk. Als ik hem vraag of hij steeds zou willen reizen, antwoordt hij volmondig "Ja!". "Daar waar autowegen zijn wel, maar niet meer lopend. Ik heb een keer in Sierra Leone 70 kilometer aan één stuk door gelopen. Dat is nu uitgesloten." Een herinnering trekt hem terug in de tijd. "Uitgesloten", hoor ik hem nogmaals mompelen. "Liefde voor reizen heb je in je bloed", vervolgt hij dan. "Naar sommige gebieden zou ik zo weer terug willen Naar Gabon het liefst, want de bevolking daar is vriendelijk en net ontwikkeld genoeg om te begrijpen dat het nemen van een bloedmonstertje geen moordaanslag is of een betovering."
Glimlach
Zijn vrouw zegt op vertrouwelijke toon dat Julien niet makkelijk is om mee te reizen. "Hotels vindt hij vaak te duur en als hij het eten niet goed vindt gaat hij zélf in de keuken staan." Ze kan een glimlach niet onderdrukken. In 1990 maakten ze samen hun laatste reis naar Thailand en Maleisië; mevrouw was toen 80 jaar oud, hij 90.
"Ze zeggen altijd dat ik de laatste Nederlandse ontdekkingsreiziger ben. Dan zeg ik: "Ja, op één na, want die komt overmorgen." Bedachtzaam kijkt hij naar buiten. Door het glas-in-lood valt gekleurd licht op zijn kortgeknipte grijze haar. Na een lange stilte spreekt hij in de laatste wolk van zijn sigaar uit: "Tempora mutantur, nos et mutamur in illis'. De tijden veranderen en wij met hen.
Het boek 'Pygmeeën' verscheen als herdruk in 1997 bij uitgeverij Atlas. Deze maand verschijnt er ook een herdruk van 'De Eeuwige Wildernis'.
Fotobijschriften:
Foto 1: Dr. Julien: "Als ik nu foto's van mijn karavanen zie, zo veel mensen, dan vraag ik me af hoe ik dat ooit heb gefinancierd."
Foto's 2 t/m 5: Hij vond pygmeeën en hij onderzocht er duizend in twee maanden tijd. "Bloedonderzoek werd mijn hoofddoel. Ik had natuurlijk geen vrieskist bij mee. Dus snel werken, soms tot drie uur 's nachts in mijn tent.
Foto's: Dr. Paul Julien
Publicatiedatum = 12 september 1998