Jellema, C.O.



Een bolwerkje tegen het verglijden van de tijd

'Oosterhouw' heet de oude villa in het landelijke Leens, onder de rook van Groningen, waar de dichter C.O. Jellema (1936 - 2003) woonde.
Hij debuteerde in 1961 met 'Klein Gloria en andere gedichten'. Daarna volgden onder meer zijn verzamelde gedichten: 'Gedichten, oden en sonnetten', 'Spolia' en in 1999 'Droomtijd' (uitgeverij Querido). In 1997 wordt zijn oeuvre bekroond met de A. Roland Holst-penning.

Droomtijd bevat voor 't merendeel vrije verzen en een gering aantal sonnetten.

Jellema: "Ik schrijf de laatste tijd minder sonnetten omdat ik eens wat anders wilde. De vrije vorm vind ik het moeilijkste wat er is; ik denk dat je die pas goed beheerst als je ook in gebonden vorm kunt schrijven. Het gedicht in de vrije vorm vraagt eveneens om structuur, het moet de indruk maken dat de woorden zó staan als ze moeten staan en niet anders."

De flaptekst stelt de vraag: 'Is het mogelijk tegelijk middenin de wereld te staan en in de leegte die aan alles voorbij is? Als je een gedicht bent, en de taal is je genadig - ja, dan misschien.'

"Het zijn niet mijn woorden, maar ik sta erachter. Het gedicht zelf is een existentiële zelfbevestiging: ik heb pas het gevoel dat ik echt besta als het me lukt een goed gedicht te maken. Mijn eigen gevoel van 'er te zijn' hangt daarvan af."


In welke fase van uw leven verwoordde u uw liefde voor het Groninger land in poëzie?

"In mijn jeugd heb ik er veel vertoefd, later ging ik in de stad wonen en ik denk dat ik toen, daar, zo'n vijftien jaar geleden, mijn liefde verbeeldde in poëzie. Ik heb namelijk altijd in de stad geleefd met het idee: dit is een voorbijgaande fase, want ik ben geen stadsmens. De sfeer van het Groninger platteland is mijn sfeer."


Jellema in 'Droomtijd' over het Gedicht:

In stilte schrijf ik jou, gedicht, in stilte,
een stoel draagt mij, op tafel rust mijn arm,
en als ik opkijk zie ik over buxushagen
in 't open veld de trage schapen grazen
onder gelaten wolken van dit kustgebied-
in stilte schrijf ik jou, in deze stilte.

U valt met het landschap samen. Door er over te schrijven protesteert u tegen de vergankelijkheid?

"Het landschap symboliseert iets blijvends en natuurlijk wordt het flink aangetast, maar bepaalde beelden, als uitgestrekte velden met grazende schapen waarboven nevel hangt, zijn wezenlijk voor mij, daarin zie ik iets oers en zeg ik: het gedicht protesteert niet tegen de vergankelijkheid van het landschap, het gedicht zélf is er een protest tegen."

Het landschap van je jeugd is het 'ware' landschap, maar er wordt mee geknoeid, biedt het gedicht soelaas?

"Het verlangen naar vroeger kun je evoceren in het gedicht: die wereld van je jeugd is dan weer present. In die zin kan het gedicht een bolwerkje zijn tegen het verglijden van de tijd."


Ellen de Jong