Jansma, Esther


TAAL IS EEN VEHIKEL VAN DE FANTASIE VOOR MIJ.

Esther Jansma is archeologe en dichteres. Ze werkt drie dagen per week bij het ROB in Amersfoort als wetenschappelijk hoofd van een laboratorium waar hout wordt gedateerd. Ze is
gespeci¬¬aliseerd in de dendrochronologie, een wetenschap die zich bezighoudt met het bepalen van de ouderdom van hout, met name eikenhout, over een periode van 10.000 jaar.

Jansma debuteerde als dichteres met de bundel 'Stem onder mijn bed'(1988). De flaptekst vermeldt:
'Centraal in deze debuutbundel staat de relatie van de auteur tot wat gegeven is of lijkt: het verleden en de dood, maar ook mensen en situaties. Recensent Rogi Wieg: 'Het is een beetje ruim geformuleerd in deze flaptekst, maar het komt erop neer dat Jansma autobiografisch schrijft, of althans anekdotisch.
'De dichter die ik zijn wil,/de voddeman, verzamelaar van/ res¬ten, momenten, barsten/ in dingen, brailleschrift,/ontcij¬fert uitdrukkingen/ van steeds datzelfde gezicht', staat er in deze bundel.'
In haar tweede bundel 'Bloem, steen'(1990) geeft Jansma op aangrijpende manier vorm aan het verdriet om haar doodgeboren dochtertje Floortje. 'Om Floortje', schrijft ze en in het nawoord legt ze uit wat ze met deze poëzie beoogde. Ze wilde 'het met zichzelf botsende beeld van een kind dat dood is' met behulp van 'woorden, redenaties en ritmes' in kaart brengen.
'Leven helpt niet tegen de dood. Toch leven we', schreef ze. Het eerste gedicht begint met de regels: 'ik hul haar in weefsels van woorden,/ik wil dat ze ademt van taal'. En:

Wat ik zie in haar gezicht
zou uit mijn armen en
mijn adem moeten groeien
maar is er niet.

Jansma zegt over deze bundel: 'Het is een belangrijk boek geweest in mijn ontwikkeling. In alle gedichten wordt dezelfde vraag gesteld: wat is het, iets dat dood is waar je van
hou¬dt.'
'Waaigat'(1993) is een bundel waarin Jansma meer is losgekomen van autobiografische gegevens. Ze wil in deze poëzie 'beelden (waarin 'mond' vaak als metafoor wordt gebruikt) bevrijden uit de ongevormde materie in haar hoofd.'
'Picknick op de wenteltrap' verschijnt in 1997, Jansma's prozadebuut. Drie kinderen filosoferen en fantaseren er duch¬tig op los; over van alles, het heelal, de duivel, de eeuwig¬heid, de zwaartekracht. En ze stellen eindeloos veel vragen aan hun vader die op alles een antwoord heeft. Aldus ontwik¬kelt zich hun kijk op de wereld. De hoofdstukjes waaruit het boek is opgebouwd vormen één geheel. Recensente Janet Luis:
'Jansma geeft blijk van een onverminderd vertrouwen in de taal. Spreek het uit en je hebt de oneindigheid in je mond.
Om die oneindigheid lijkt het allemaal begonnen te zijn, net als in haar gedichten. Of, anders gezegd, om een verzet tegen de eindigheid.'


Hier is de tijd

Jansma's laatste dichtbundel 'Hier is de tijd' (1998) won de VSB Poëzieprijs 1999. Het laatste gedeelte verwijst naar de dood van zoontje Abel die stierf toen hij negen maanden oud was. Jansma vermeldde dat acht gedichten zijn opgedragen aan 'mijn zoontje Abel.'In een interview zegt ze: 'Ik schreef expres niet 'overleden zoontje.'In die acht gedichten heb ik een veel grotere afstand genomen van het onderwerp dan in
'Bloem, st¬een'. De ervaring speelt op de achtergond mee, de lyrische 'ik' valt niet per se samen met de dichter. Ik ver¬meldde Abel omdat ik zijn naam in druk wilde hebben. Die naam moest ergens staan.'
De titel van 'Hier is de tijd' ontleende Jansma aan het ge¬dicht 'Meisje' uit Herman de Conincks 'Schoolslag':
'O, de meisjesachtigheid van veertigjarige meisjes', verkon¬digt dat vers: 'hoe ze soms willen, soms niet,/maar eigenlijk altijd, als je het maar ziet./ Waar is de tijd? Hier is de tijd. '
Het is een aangrijpende bundel in pure, elementaire taal¬ met ontroerende versregels als:

Ach kindje
elfen zijn zwak en ze sterven als gekken
en wij, wij vergeten al hoe vol
het licht ooit op je viel, hoe je hier ligt,

dit stille nu vol jij, zozeer jezelf
en voorbij, godverdomme, voorbij.


Esther draagt haar dochtertje Julia dicht tegen zich aan tijdens ons gesprek in haar kamer in Amsterdam. Moeder en dochter hebben dezelfde stille blik in hun ogen, ze zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar, voor eeuwig.



Poëtica

Je bent archeologe en dichteres. Gaat dat goed samen? Is er ook een verband tussen je wetenschappelijke werk en je gedich¬ten?

'Het zijn natuurlijk twee totaal verschillende beroepen. Maar het fijne is dat als het ene wat minder leuk is als het andere ik een uitwijkmogelijkheid heb. In die zin versterkt het
el¬kaar. Aan de andere kant zitten ze elkaar danig in de weg omdat het allebei arbeidsintensieve beroepen zijn. Of er een verband is tussen mijn gedichten en mijn wetenschappelijke werk? Het is alletwee gepriegel. Gedichten zijn natuurlijk ook hele kleine klontjes tekst waar je met een scalpelletje of een pincetje in zit te frutsen. En dat laboratoriumwerk is natuur¬lijk ook ontzettend veel geknoei op de vierkante milli¬meter. Een ander verband is dat zowel het een als het ander een zekere mate van logisch denken vereist.
Je moet heel analy¬tisch kijken naar wat een tekst doet. Hoe een komma werkt, welke ladingen bepaalde woorden hebben.
Het begint misschien met een gevoelsuiting, een emotie, maar daarna wordt het heel streng werken. Met een schroevendraai¬er en een waterpas¬instrumentje, heel technisch eigenlijk.'

Je groeide op in een beeldhouwersmilieu. Je vader stierf jong, je moeder was behoorlijk geëmancipeerd. Vrouwen zijn hoofdper¬sonen in je werk.

'Toen ik in de puberteit begon met schrijven lukte het me nooit vrouwelijke hoofdpersonen te nemen omdat ik bij hen altijd alleen maar dacht: o, die worden verliefd, worden ongesteld en krijgen kinderen en daar wilde ik geen verhaal of gedicht over schrij¬ven. Ik kon alleen met mannelijke hoofper¬sonen werken en ik denk dat dat ook te maken heeft met de dominantie van mannelijke hoofdpersonen in de literatuur. Als kind lees je meer over jongetjes dan over meisjes en je leert als meisje je te identificeren met mannelijke hoofdpersonen. Omgekeerd is het zo dat jongetjes nauwelijks boeken lezen met meisjes als hoofdpersoon dus die leren niet zich te identifi¬ceren met vrouwen en dat zie je nu terug in de litera¬tuur¬kritiek. Als er vrouwe¬lijke hoofdpersonen zijn zullen manne¬lij¬ke lezers vaak zeggen: dat is een beperkte hoofdper¬soon. Het is een politieke keuze dat ik vrouwen als hoofperso¬nen neem omdat ik wel vind dat mannen zich ook maar moetem leren iden¬tificeren met een zij. Ik wil bewust dat vrouwelijke hoofdper¬sonen opgerekt worden zodat er minder in termen van gezinnetje met kindje gedacht wordt.'

Toen je bundel 'Bloem, steen' was verschenen werd er gezegd dat de nieuwe Vasalis was opgestaan.

'Ik ben niet echt dol op haar werk, ik vind het toch wat braaf. Als compliment steek ik het graag in mijn zak maar zij is niet in eerste instantie iemand met wie ik vergeleken wilde worden. Ik zie ook geen overeenkomsten tussen haar werk en het mijne, ik heb bijvoorbeeld een totaal andere lyriek dan zij, ben veel brutaler, minder kabbelend en spot meer met de vorm.'

'Bloem, steen' typeerde je als 'kortstondige beeldhouwwerk¬jes'.

'Ze zijn in hun vorm vrij hecht, vrij noodzakelijk. Hun onder¬werp, een doodgeboren kind, is echter heel ijl, er zit veel wit in. Aan de andere kant zijn ze koppig en wordt de vraag gesteld: wat is dat nu precies, een dood kind? Er zit ook iets stevigs in, in dat volgehouden vragen. Het zijn noodzakelijke dingetjes van taal, maar wel over een ijl onderwerp: kortston¬dige beelhouwwerkjes. Dat ik het beelhouwwerkjes noem komt natuurlijk ook door mijn achtergrond. Afgezien daarvan vind ik proza meer van schilderijen hebben en poëzie meer van beeld-houwwer¬ken. Een roman is een uitsnede uit iets groters, een schilderij ook. Dat heeft randen, een gedicht heeft geen randen, is in zichzelf besloten, is een ding net zoals een beeld. Om een beeld kan je ook heen lopen, het heeft geen grenzen, het voetje is de enige grens.

Een schilderij zit net als een roman propvol informatie, je kan meer én én én doen, in een beeld of gedicht kan dat niet want het is maar één vorm, één huid, hoe ingewikkeld ook.'

In je dichtbundels keren twee elementen steeds terug: water en steen.

'Ik zag thuis in de ateliers altijd steen in beweging, voor mij is steen niets hards maar iets wat heel langzaam beweegt. En wat betreft het water: als kind woonde ik vlakbij de Am¬stel, dus ik zag veel water en mijn vader woonde op een gege¬ven moment op een boot. Ik wilde zelf ook graag op een boot wonen want ik dacht als je een schipperskind bent en je vaart met je familie kan niemand van dat schip af, dat is heel veilig, terwijl je ondertussen toch allerlei avontu¬ren be¬leeft. Water heeft veel betekenissen voor me. Mijn vader was voor hij beeldhouwer werd matroos en ik hoorde als kind dus veel verhalen over de zee. Water was voor mij een sprook¬jes¬achtige andere wereld. Ook een plaats waar alle onderscheiden worden opgeheven, en de dood zit er ook in. De zee is tevens een bewus¬te¬loze plek en weet niet van zichzelf dat ze zee is. Ze beweegt constant, maar weet het niet, dus doet ze me ook aan de dood denken, aan wat je wordt als je dood bent. Dan gebeurt er ook van alles met je maar je weet het niet. Ik ben er nog lang niet over uitgedacht.'


Je poëzie wordt nogal eens als moeilijk bestempeld hoewel je een helder taalgebruik hebt.

'Ik heb, vind ik zelf een duidelijk taalgebruik en snap niet dat er mensen zijn die mijn gedichten moeilijk vinden. Ook 'Picknick op de wenteltrap' wat toch een soort Jip en Janneke stijl heeft is voor sommige mensen onbegrijpelijk. Ik vind dat Kees Ouwens moeilijke poëzie schrijft, maar dat spreekt mij aan want ik vind het fijn als ik er na lang puzzelen een vinger achter krijg en er iets van begin te begrijpen. Dan ben ik zo'n gedicht echt dankbaar en voel ik mezelf ook knap dat ik het heb weten te doorgronden.'

Welke funktie heeft taal voor je?

'Als kind had ik al het gevoel dat ik door iets te zeggen of te schrijven iets waar kon maken. Als ik vroe¬ger op school een opstel maakte dat ik in een koffer van iemand meeging naar Suriname bij wijze van spreken en ik gevoerd zou worden met een rietje door een gaatje in de koffer dan was het alsof het echt gebeurd was omdat ik het opgeschre¬ven had. Toen begon ik me te realiseren dat die taal toch wel een heel machtig medium was. Het is natuurlijk niet waar dat je als je iets zegt of schrijft het zo is, maar wel in je hoofd. Taal is een vehikel van de fantasie voor mij: dingen dichtbij halen die er niet zijn. Verder heeft de taal de funktie van gaten stop¬pen, gemis opvullen, spannende dingen bedenken, dat soort zaken.'




Hoe zie je je ontwikkeling als dichteres?

'Ik ben speelser en veelvormiger geworden, durf meer en ging geleidelijk aan voor ieder gedicht weer een andere vorm probe¬ren. Ik laat de onderwerpen nu veel meer meespelen in de vorm die zo'n gedicht krijgt. Voor mijn gevoel ben ik vrijer gewor¬den. Ik zit minder mooie tekstjes te produ¬ceren en experimen¬teer meer.'

Je bent minder autobiografisch gaan schrijven.

'Dat is zo. Ik ben later een paar laagjes toe gaan voegen en ging meer met de vorm aan de gang omdat teveel autobiografie het zicht op de gedich¬ten wegneemt en omdat men geneigd is om gedichten te verklaren in termen van hun biogra¬fische achter¬grond. Wat ik hoop is dat lezers op zo'n manier lezen dat ze het maximale uit een ge¬dicht halen en als ze al snel zeggen dat het hier of daar over gaat dan ben je al klaar met le¬zen.'

Je hebt de VSB Poëzieprijs 1999 gewonnen. Je bent de eerste vrouw en de jongste dichter die hem heeft gekregen. Hoe voelt dat?

'Hoe leuk ik het ook vond, een beetje giechelig werd ik er ook van. Het klinkt raar maar ik dacht: hebben ze zich niet ver¬gist of zo. Een typisch vrouwentrekje. Als ik een kerel was geweest had ik gedacht: natuurlijk heb ik die prijs gekregen. Maar ik ben er echt erg blij mee en ik hoop dat ik 'm verdiend heb.'


Ellen de Jong