Hooijer, D. 2008



D. Hooijer won de Libris Literatuurprijs met verhalenbundel 'Sleur is een roofdier'
Ik wil zakelijker gaan schrijven


D. Hooijer debuteerde in 2001 met de verhalenbundel 'Kruik en kling'. Ze schrijft ook poëzie en illustreert sommige van haar verhalen zelf. In 2004 verscheen haar tweede verhalenbundel 'Zuidwester meningen' die genomineerd werd voor de Anna Bijns Prijs 2007. Voor haar derde boek, 'Sleur is een roofdier', dat uit negen verhalen bestaat, uitgave Van Oorschot, ontving ze recent de Libris Literatuur Prijs 2008.
D. Hooijer (1939) is 't pseudoniem van Kitty Ruys. Ze woont in Hilversum, is er ook geboren en had helemaal geen zin om onder haar eigen naam te schrijven, ,,want dan krijg je meteen commentaar."
Ze schreef eerst poëzie en pas rond haar zestigste, begon ze verhalen te schrijven. Ze is tevens beeldend kunstenares.
Hooijer won de prestigieuze prijs en liet de favorieten Marjolijn Februari met 'De literaire kring' en Jeroen Brouwers met 'Datumloze dagen' achter zich.
Hooijer heeft hun boeken gelezen evenals 'Grote Europese roman' van eveneens genomineerde Koen Peeters.
,,Ik wilde weten wie mijn collega's waren en hoe ze schreven. Vooral 'De literaire kring' en 'Grote Europese roman' spraken me erg aan. Op de avond van de uitreiking zat ik er lekker ontspannen bij en liet het gebeuren over me heen komen. Maar natuurlijk was het een verrassing voor me dat ik won."
Hooijer zwierf jaren als amateurarcheologe over de hei, deed ze daar haar inspiratie voor haar verhalen op?
,,Dat weet je niet als je daar loopt want ik liep daar al voor 1981 en in die tijd maakte ik gedichten. En die gaan ook over de archeologie en die interesseerden mensen net iets te weinig zullen we maar zeggen."


Punaises


Voor elk verhaal uit 'Sleur is een roofdier' had Hooijer een vooropgezet plan: ,,Ik dacht daar en daar zit een verhaal in en ik moet dat en dat nog bedenken en dat duurt allemaal ontzettend lang. Ik ben altijd, dag in dag uit, in mijn hoofd bezig. En het schrijven duurt ook lang, ik schrijf per dag niet meer dan acht zinnen, want ik moet het vorige ook nog corrigeren. Als je dat weer voor je ziet, denk je: wat, ben ik dat? Wat een wansmaak."
In 'Sleur is een roofdier' speelt een 66-jarige man de hoofdrol. Hij is bezeten van seks. Helaas is hij impotent en wil een eind aan zijn leven maken. Of hij het doet blijft in het midden. In 'Tweemaal tut-af' voelen de verpleegsters Lydia en Toss zich aangetrokken tot terminaal zieke of invalide mannen. Waar zijn ze op uit? In ieder geval niet op sleur, want dat is een roofdier. Het ligt op de loer, bespringt je onverhoeds en scheurt de grootste liefde kapot met zijn scherpe tanden.
'Hooijers verhalen eindigen meestal even abrupt als ze beginnen zonder dat men volledig hoogte krijgt van de beweegredenen, de wensen en verlangens van haar vaak eigenaardige personages', schrijft recensent Janet Luis in een bespreking (NRC Handelsblad 8-6-2007).
Wil je mensen graag op het verkeerde been zetten en ze wat verbijsterd achterlaten?
,,Er zit wel degelijk een klein cloutje in elk verhaal, ik noem het een punaise. Een clou is een spijker, en mijn spijkers zijn zo klein als punaisses. Ik heb nergens loodzware dreunende clous. Het voordeel van korte verhalen is dat ze zo kunnen aflopen dat je weet dat de wereld nog voor hen open ligt. Ze leven maar door. Bij een roman krijg je het vreselijke, langdradige, slijmerige, echte proces waarin mensen alleen maar doodgaan op het eind. Mijn personen in mijn verhalen blijven in leven, al zijn er een paar dooien in het allerlaatste verhaal. Maar dat is een persiflage op een detective, maar de anderen gaan niet speciaal dood, ja, god, er kan er wel eens een ziekte krijgen. In verhalen is de oplossing vaak de dood, maar daar doe ik niet aan mee."
In het titelverhaal wil de man een eind aan zijn leven maken maar of hij dat doet blijft de vraag. Hooijer kijkt mij recht aan, ze heeft pretogen, ze glimlacht fijntjes: ,,Ja, dat laat ik in het midden."
In 'Johnny's maat', gaat het over kleuter Johnny, een wees, die elke dag door twee vrouwen uit het asielzoekerscentrum wordt opgehaald 'om te voeren en voor te lezen'. Een zielig jongetje. De lezer komt er niet achter hoe het met hem afloopt.
,,Ik vind dat zelf mijn beste verhaal. Daarin ligt de wereld voor hem open."
En ook voor de lezer. ,,Ja."



Randfiguren


Hooijers personages zijn zelden of nooit gelukkig. Het zijn geen doorsnee mensen, ze bewegen zich aan de zelfkant van het leven: daklozen, bedriegers, hoeren, circusartiesten. Ze zijn op zoek naar geluk, liefde, geborgenheid, macht.
Hooijer: ,,Die mensen bestaan echt, als je op de hei stenen loopt te zoeken kom je die types tegen. Gek zijn ze niet, maar ze hebben een vorm gevonden om te leven. Zij voelen zich niet beschaamd dat ze het niet gemaakt hebben. In 'Kans maal verwachting' een verhaal dat ik eens schreef, gaat het over de gokkast. Je hebt een kleine kans, maar gokken heeft een idioot hoge verwachting. Ik ben aan die kast geweest en voelde die gegrepenheid. Daar zitten allemaal losers maar ze voelen zich niet zo. Of ik voeling heb met dergelijke figuren? Ja, want ze staan altijd open voor een babbeltje. Als ik naar de markt ga word ik vaak aangesproken. Ik koop er bijvoorbeeld een wisser of een dweil om m'n huishouden eens een keer goed te doen. Dan loop je er mee naar huis en zie je je glazenwasser op straat die zegt: waar ben je nu weer ingeluisd? Dat vind ik heerlijk, die mensen zijn zo open, die hebben niets waar te maken."
Hooijer vertelt associatief, ze springt van de hak op de tak. Haar zinnen in een onderkoelde stijl gevat, zijn rake en beeldende typeringen van personen en situaties, die je doen glimlachen en meer dan dat. In het verhaal 'Bosgrond en peredrups', komt een man aan de orde die pillen inneemt tegen impotentie. Zijn vrouw is proefkonijn. Er volgt een hoogst vermakelijk scène. Hooijer noteert: 'Ik leid haar naar ons eigen vertrouwde bed. En daar begint een onwezenlijke vrijage. Eerst zijn we opgetogen maar na twee, drie keer heb ik nog geen rust door mijn niet aflatende stijve. Mijn vrouw is al uitgeput. Ze vraagt met strakke kaken of ik me even onder de koude kraan kan houden, ze krijgt kramp en het gloeit.' 'Nee jij blijft liggen, nou zal je meedoen. Niet steeds rechtop gaan zitten, je weet dat ik het in mijn rug heb.' 'Jij zou het niet innemen zei je, dat zei je! Kijk waar we in terecht gekomen zijn. Straks zijn we dood. Goddank ben je mijn eigen man dan geeft het niet zo. Wat een onwaardige toestand.' 'Wat een onwaardige toestand maar je blijft net zo lang liggen tot ik definitief klaar ben, snol met je pillen. Wat bedoelde je anders dan dit!'
Ben je tevreden over je stijl van schrijven?
,,Dat wás ik, maar nu is het genoeg. Toen ik het boek van Februari had gelezen droomde ik 's nachts dat ik een kristallen glas opat, met andere woorden die helderheid van haar fascineerde me. En Peeters heeft zo'n geraffineerde stijl, ik denk dat er weinig mensen zijn die beseffen wat een intellect daar achter zit. Ik wil zakelijker gaan schrijven, niet meer poëtisch. Ik wil een prozastijl. Alle grappen, geintjes en gegrinnik moeten eruit maar je kan niet meer ontrukken aan de taal dan er in zit. Er zit heel veel in, maar als je teveel gaat wegstrepen moet je niet verwachten dat er een toverachtig effect plaatsvindt. Behalve in die stijl van Peeters. Ik weet dat ik hier lang over ga doen maar die poëtische stijl wil ik niet meer, niet nog eens een vierde bundel met dit soort verhalen. Mijn volgende boek zal wel een lang verhaal worden maar een roman hoop ik niet dat het wordt."

Ellen de Jong