Heeresma, Heere



Ik heb een geheugen als een stalen pot

De schrijver Heere Heeresma (Amsterdam, 1932) kent men van onder meer 'Een dagje naar het strand' en 'Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming'. Eind jaren '50 kondigde Heeresma aan een boek 'Kaddisj voor een buurt' te zullen schrijven. Het verscheen niet, maar recent wèl 'een jongen uit plan Zuid '38 - '43', deel 1, (De Arbeiderspers). In mooi proza verhaalt Heeresma hoe hij als jongetje, geboren in de Speerstraat in Amsterdam-Zuid, getuige was van het verdwijnen van zijn joodse buurtbewoners in de oorlogsjaren. Vanaf juli 1942 begonnen de razzia's om Amsterdam judenfrei te maken. Heeresma's ouders die sterk betrokken waren bij het joodse geloof en de talmoed, stelden alles in het werk om hen te helpen.
Zijn vader was theoloog en had contacten in het verzet. De joodse rechtenstudent Johan dook bij hen onder. De jeugdige Heere had veel joodse vriendjes die geleidelijk aan weggevoerd werden. Aangrijpend is Heeresma's relaas over zijn gabber Eli die op een ochtend met vader, moeder en zus van huis wordt opgehaald: 'En dan gebeurt het. Ze steken schuin over, waarbij voor het eerst eigenlijk mij de jodensterren op hun kledij opvallen, en pal voor onze voordeur struikelt Eli over de trottoirband en valt. Een van de moffen pakt zijn geweer in beide handen, draait dit met de kolf met de stalen stootplaat naar beneden en stoot. En mijn makker schreeuwt het uit en zijn gil zal me mijn leven lang bijblijven. Het is het enige wat van die familie rest en bij mij berust.'
Na Eli volgden er meer. Hij begreep het niet als kind waar al die joden naartoe vertrokken. Als jongetje was hij steeds aanwezig, niet aanwezig. Als hij aan zijn vader vroeg waarom op al die borden 'Voor joden verboden' stond, antwoordde hij: omdat het rijmt. En zijn moeder zei: wat je weet, zal je dragen. Aan het slot van het boek dat pagina na pagina doordringende beelden oproept ziet de verteller Heere hoe mannen, vrouwen en kinderen vanuit vrachtwagens de treinen in worden gejaagd. Ze sloten zelf de deuren. En dan schrijft Heeresma de onvergetelijke slotregels:
'De wagons die daar staan, vol van leven, zijn levenloos in een put van stilte. En ineens wéét ik het - al wist ik toen nog niet wat.'


Gedachtegoed

In café Hoppe aan het Spui in Amsterdam steekt Heeresma zijn tegenzin in computers niet onder stoelen of banken: "zo'n grijs beeldscherm werkt niet, ik werk gewoon met m'n Erica-portable op m'n knieën."

In oktober komt het tweede deel uit. Waarom heeft Heeresma het boek geschreven? "Dit gedachtegoed mag niet verloren gaan, zie de aanhaling voorin mijn boek: 'In de Babylonische talmoed wordt opgemerkt dat de mens twee keer sterft. Eerst gaat hij dood en dan raakt hij vergeten. Uit verzet werd dit boek geschreven.' Ik heb indertijd 'Kaddisj voor een buurt' laten slippen met als gevolg dat geachte collegae zich op het woord kaddisj wierpen, een ervan gebruikte het zelfs in de titel van zijn boek. Ik vroeg waarom? Hij antwoordde: nou, dat klinkt zo joods. Ik zei: wat zegt u? Toen was ik verslagen dat geef ik ronduit toe. Het heeft lang geduurd eer dit boek er kwam omdat ik simpelweg de vorm niet kon vinden aangezien ik niet om het verhaal werk maar om het verhaal in het verhaal. Het gaat altijd om de taal. Maar toen ik mij op het zeventien meter lange zeewaardige jacht de Toi toi bevond, bezuiden Ierland, met windkracht zeven, tegen de zeestroming in, zodat je in de kortste keren een hele felle, hoge, holle golfslag krijgt, zag ik ineens de vorm. Als generator laat ik de herinnering opkomen en geef haar vrij spel. Daarom heeft het boekje qua vorm iets meanderends."

Zijn herinneringen wel betrouwbaar na zoveel tijd?

"O, zeker, twijfel daar niet aan, ik heb een geheugen als een stalen pot. Ik weet zelfs nog dat ik als een baby in de kinderwagen lag en hoe de zon in de nikkelen beugels flikkerde. Daarom ben ik ook de enige die zo'n boekje kan schrijven."


De vader van Heeresma was een bijbelvorser "en dan kan je niet anders dan sympathiseren met het joodse geloof. Een tekst van Paulus van Tarsus zegt over de niet joodse gelovige: dat is de wilde olijf en die moet geënt worden op de wortels van de edele olijf en dat is het jodendom. Dat kreeg ik als jongetje van drie jaar al mee, ik leerde ook hebreeuwse lettertekens. Mijn vader was mijn beste gabber, we waren samen een span."

Die genoemde dramatische gebeurtenissen waren vormend voor u.

"Ja, een voorbeeld: ik loop het Centraal Station uit en er staat zo'n oudere diender die naar m'n nieuwe persoonsbewijs vraagt. Mijn antwoord was: ik zal u eerlijk zeggen dat als ik zo'n ding had, ik het u niet toonde. Waarom niet mijnheer? Mag ik het u voordoen, zei ik: Ausweis bitte! Und schnell!"
De ogen van Heeresma vonken vuur als hij deze woorden over mij uitspat. Ik ril. Hij bedaart en vervolgt: "toen keek hij me aan en legde een hand op m'n arm en zei: oké. Waarop ik reageerde met: Ein Mensch. Een heel mooi moment was dat."


In een interview stelde u 'De mensen zijn prima, al deugen ze niet'.

"De mensen zijn echt prima, dat moet je wel vinden want er is niets anders. Al deugen ze niet, dat is evident, iedereen heeft een donkere zijde. Bij de een is die vliesdun, bij de ander loodzwaar, en de een weet die te mannen en de ander kan dat niet, maar iedereen heeft zo'n zijde."

Heeresma dus ook. Zou die aan het licht komen in het tweede deel?

Ellen de Jong.