Gruwez, Luuk



De motor van mijn schrijverij

Vlaams dichter en prozaschrijver Luuk Gruwez (Kortrijk, 1953) studeerde Germaanse filologie in Kortrijk en Leuven en werd leraar Nederlands in Hasselt. Hij publiceerde bij de Arbeiderspers de dichtbundels 'Dikke mensen', 'Vuile manieren', 'Bandeloze gedichten'(bloemlezing) en 'Dieven en geliefden'. Het proza 'Onder vier ogen' (met Eriek Verpale), 'Het bal van opa Bing', 'Het land van de wangen', 'Slechte gedachten' en 'De maand van Marie'. Zowel zijn poëzie als proza werd diverse keren bekroond.

Het was 30 januari, Landelijke Gedichtendag. Ik was verdwaald in het schone Vlaamse land en hij was zo aardig me te komen halen, me voor te rijden naar zijn huis. In de gang stuit ik op een piano waarop een opgezette pauw prijkt. Later vertelt Gruwez hoe en waarom hij daar verzeild raakte. Zijn studeerkamer is behangen met posters die literaire happenings als de Nacht van de Poëzie aankondigden, waarop Gruwez met prominente dichters optrad.
Als dichter wilde ik hem portretteren, het was tenslotte hun dag.

Hoe jong was hij toen hij begon met het schrijven van gedichten?

"Ongeveer op m'n twaalfde jaar schreef ik mijn eerste - vrij potsierlijke, zag ik later - gedicht. Het ging over de wolken."

U heeft eens gezegd: 'Gedichten moeten schaamteloos mooi zijn, omdat de wereld al lelijk genoeg is.' Staat u nog achter die uitspraak?

"Ik heb altijd extra waarde aan de vorm gehecht, de ambachtelijkheid van het poëzie schrijven. Een gedicht wordt pas een gedicht als het metier voldoende beheerst wordt. Jongeren denken vaak dat als de emotie, die de aanleiding is tot het schrijven van poëzie maar waarachtig genoeg is, je dan automatisch ook goede verzen krijgt. Dat is helemaal niet het geval, want uitgaande van een vrij waardeloze of simplistische emotie kun je een goed gedicht schrijven, dat heeft ons het nieuwe realisme wel geleerd. Alles kan in principe onderwerp van een gedicht zijn. U vraagt mij of ik er nog steeds achter sta dat ik een soort tegenwicht voor de lelijke wereld moet bieden, want daar komt het op neer. Ik zal het zeker niet meer zo formuleren, ik denk wel dat ik een zekere mate van ordening in de wereld wil aanbrengen. Ik ervaar de wereld als ordeloos en chaotisch en met de enorme verzamelwoede die mij eigen is - een schrijver is een verzamelaar - tracht ik een alternatieve wereld te scheppen die wel geordend is en een logische constructie vertoont. In wezen vind ik elke dichter iemand die de constructiefout van de schepping probeert te herstellen."

Verwelken, verdwijnen, verlies en verval zijn bekende motieven in uw werk. Wat heeft leven voor zin?

"Ik heb eens gezegd of geschreven dat een mens niet aan de overwinning de zin van zijn leven ontleent maar aan de strijd. Het grootste probleem is het besef dat er een eind aan het bestaan komt en ondanks dat zijn er drijfveren in een mens aanwezig, van biologische oorsprong, die sterker zijn dan welke rationele overweging ook."

Gruwez 'Kiest vastberaden voor verdwalen', zegt daarover:

"Er is veel monotonie in het leven, dus laat er in Gods naam enig avontuur in de poëzie zijn. Kies vastberaden voor verdwalen is een uitspraak die ik binnen het kader van een gedicht heb gedaan. Wat ik daarmee bedoel is: Het gedicht mag de bravoure tentoonspreiden die in het werkelijke leven gemist moet worden."

In het gedicht 'Ars amandi' vergelijkt u dichters aan de ene kant met 'Italianen, die hun knapste leugens / sparen voor de mooiste vrouwen'. Ze blijven jong 'zo eeuwig als maar kan'. Aan de andere kant ruiken ze naar 'rolmops en vies ondergoed / en zure melk'.

"Het is een zeer ironisch vers, want ik behoor natuurlijk zelf ook tot die dichters. Ik plaats een aantal clichés op een rijtje, badinerend van toon. Wel zet ik die dichters op hun plaats die denken dat poëzie het allerhoogste is. De slotregels: 'Kom desgewenst maar aan hun vrouwen/kom nooit of nimmer aan hun komma's' wijzen daarop, zij slaan de literatuur, in dit geval de poëzie hoger aan dat het leven. In die stelling kan ik me niet vinden. Een dichter is ook niet perse waardevoller dan een ander. Het kan overigens geen kwaad dat een aantal mensen dat wel denken, in een tijd waarin de poëzie in het verdomhoekje dreigt te raken. Bertold Brecht heeft gezegd: eerst het vreten en dan de moraal. In mijn woorden: eerst het vreten en dan de poëzie. Ik schrijf veel gedichten over mensen omdat ik vind dat het leven voor de kunst gaat. Hoe je het draait of keert. Als je in je leven geconfronteerd wordt met zaken van leven en dood ga je beseffen dat die poëzie waar je dag in dag uit zwaar aan tilt, eigenlijk maar een luxe artikel is."

In het gedicht 'Opsporing verzocht' schrijft u: 'Nergens kan ik mijn lichaam vinden /al is geen moeite mij te veel'. En: 'Ik had het fleurig uitgedost / een hoedje op, een vlinderdas / en handschoenen in peau de suède'. Later: 'Bezorg het mij terug, zelfs naakt / zelfs zonder handschoenen of zonder hoed / maar met zijn wanhoop nog intact'.
Waar staat het lichaam voor?

"Ik stond in het begin van mijn dichterschap genoteerd als een romantische, etherische dichter. Ik liep als elke jonge dichter-dandy met mijn hoofd in de stratosfeer.
Die lichamelijkheid toen had iets irreëels. Ik koketteerde in die tijd met de dood, met een hoofdletter wel te verstaan, en met de Liefde, met het vleermeisje, mijn variant op wat Gerard Reve De mooie meedogenloze jongen noemt, op zijn beurt een variant op de Belle Dame sans merci in de Romantiek. Ik dweepte met de mooie, ongenaakbare verre dame, die ophoudt de ideale dame te zijn zodra ze bereikbaar wordt. Totaal onaards en wazig. Poëzie, artistiek gezien met veel flou, cru uitgedrukt: met weinig kloten. Ik had het toen over de bedreiging van het lichaam, maar altijd wazig. Naarmate de jaren vorderden, vulde het leven concreet een en ander in. Waarschijnlijk door wat ik allemaal heb meegemaakt is er een grotere aardse betrokkenheid ontstaan. Maar ik heb altijd een problematische verhouding gehad tot het lichamelijke, hoewel ik in mijn poëzie een zintuiglijk ingesteld iemand ben. In het gedicht waarover u mij de vraag stelt zie ik het als een uiting van het feit dat ik dat lichaam nog steeds niet gevonden heb."

Het gedicht 'Coureur' begint met 'Ik ben niet gekomen om aan te komen / ik ben allene maar gekomen om te starten'. 'En voor de gladiolen en de kussen / van de Druivenkoninginne'. Een zelfportret?

"Als kind wilde ik graag wielrenner worden, liever dan dichter. Ik voer in een fantasietje een ouderwetse coureur ten tonele, een idool van me. Het is een vrij luchtig gedicht, maar met een thema dat vrij belangrijk is in mijn werk: het gevoel dat je iets moet doen om iets te zijn. Dat je pas gewaardeerd wordt op grond van daden. Zuid-West Vlaanderen, waarin ik opgroeide, is een doe-provincie. Mij is die prestatieplicht van kindsbeen af ingegeven, rationeel ben ik het er helemaal niet mee eens, maar ik kan me er niet aan ontworstelen. Vanuit die opvoeding heb ik het gevoel gekregen dat er in deze wereld alleen maar plaats is voor de eerste en de beste. In het gedicht leg ik een link met wat ik tot het domein van de droom reken, de kinderlijke wens om wielrenner te worden, en het dichterschap. Zodra ik merkte dat ik met lichamelijke middelen niet de eerste kon zijn, heb ik me op middelen van de droom gestort, of zo u wilt die van de poëzie.


Middelen van de droom

In mijn gezinssituatie associeerde ik mijn vader met de wereld van de daad en mijn moeder met de wereld van de droom. Ik heb altijd gevoeld dat ik met middelen van de droom, met de poëzie in dit geval, met middelen die ik moederlijk zou willen noemen, moest proberen tegemoet te komen aan eisen die me opgelegd zijn en die behoren tot de wereld van mijn vader. Ik haal altijd het citaat van Hugo Claus, die van mijn streek is, weer aan:
'Het ergste wat je in West-Vlaanderen over een jongeman kunt zeggen is: 't Is ne goeie jongen maar 't is gene commerçant.'"

In uw bundel gaat het niet alleen over verliezen, verloren gaan, maar ook over verzamelen. Wat is een dichter anders dan een verzamelaar, zegt u. 'Ik verzamel woorden in het volste besef dat het een tevergeefse daad is'.

"Het is een tevergeefse daad en toch willen we voortdurend verzamelen. Niet alleen dichters zijn bij uitstek verzamelaars, bewaarders, het geldt voor meer mensen. Door dingen te verzamelen, verzamelen ze ook zichzelf.
Ik heb de indruk dat het bij mij genetisch bepaald is. Ik had een grootvader die op een blauwe maandag antiquair geweest is, beroepshalve antiek moest verzamelen, en mijn vader vergaarde opgezette dieren. Soms kwam zo'n bloederige kop van een everszwijn bij ons binnen, met de middagpost nog wel, want in mijn jeugd was die er nog. Het pak werd opengemaakt, stonk een uur in de wind en dan bracht mijn vader die kop naar de taxidermist. Die pauw die u op mijn piano beneden zag staan heb ik nog in levende lijve gekend. Dat beest hield mijn vader op zondagochtend uit de slaap en toen is hij op een bepaald moment met z'n portefeuille naar de buurman toegestapt, kocht 'm, liet 'm nekken en opzetten en ik kreeg 'm later cadeau op mijn twaalfde verjaardag. De dood als verjaardagscadeau! Die verzamelwoede van mijn familie is mij dus ook eigen en ik ben een portrettendichter op de koop toe. Je zou kunnen zeggen dat ik, zoals mijn vader dieren opzette, schrijvenderwijs mensen opzet, en uiteindelijk ook mijn vader opzet, want mijn vader speelt een grote rol in die gedichten. Ik zet hem al schrijvend op, vind een ander leven voor hem uit, in poëzie, sinds zijn dood. Bovendien is mijn vader de motor van mijn schrijverij omdat hij mij van meet af aan opgezadeld heeft met die verdomde plicht een daad neer te zetten, zij het dat dit uiteindelijk een poëtische daad geworden is."

In het slotgedicht treedt de dood op als De definitieve dief. Een droevig eind.

"Ja, het is een droevig eind. Maar je kunt het ook wat minder beperkt interpreteren. De bundel heet 'Dieven en geliefden', die dieven staan voor alles wat ons minder maakt en uiteindelijk als defintieve dief ons het meest berooft en de geliefden staan voor alles wat ons meer maakt, want ook de liefde is een daad. De liefde is een daad tegen de dood. Dat maakt liefde overigens verwant aan schrijven, er is een geheimzinnig verband tussen liefde en poëzie."

Ellen de Jong