Giphart, Ronald 1995


WAT IS ER MOOIER DAN EEN TONGZOEN ?


Ronald Giphart (Dordrecht, 1965) bracht zijn jeugd door in Soest. Hij ging naar het Baarnsch Lyceum en zat bij Prins Willem Alexander in de klas, 'Alex voor vrienden'. In 1986 verhuisde hij naar Zuilen (Utrecht). Hij was een aantal jaren nachtportier in het Ziekenhuis Overvecht te Utrecht en studeerde daarnaast Nederlands. 'Ik heb drie jaar Nederlands gestudeerd, maar ben gestopt om de onbegrijpelijke reden dat ik een roman wilde schrijven.' Hij publiceerde een aantal stukjes in een literair blaadje en dat viel op. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar vroeg hem of hij niet eens een boek wilde schrijven. 'Diezelfde avond ben ik begonnen met het noteren van de avonturen van twee vrienden op een kanovakantie in de Dordogne.'
Waarom juist dat verhaal? 'Gewoon omdat ik net zo'n vakantie achter de rug had. Zo eenvoudig is het soms.'
En zo kwam Gipharts debuut in 1992 'Ik ook van jou' bij Nijgh & Van Ditmar tot stand. In deze roman gaan Ronald en zijn vriend Fräser op reis naar de Dordogne voor een, zoals Fräser het noemt, 'grote queeste naar literatuur en seks'. Ze beleven een vakantieliefde met een Duitse en een Franse toeriste en het is daar dat Ronald erachter komt dat zijn schrijversschap moet beginnen met het schrijven van het verhaal over zijn fatale liefde voor de mysterieuze Reza. Maar dan wel schrijven op een lichtvoetige en geestige manier, want men moet af van het idee dat echte literatuur doodserieus dient te zijn. Ronald Giphart zegt zelf over het schrijven van dit boek: 'Ik ben zomaar begonnen, zonder de intentie dat het dit boek moest worden, en zou wel zien waar ik uitkwam. Terug kijkend kan ik een paar namen noemen van schrijvers die mij hebben beïnvloed of gestimuleerd: Joost Zwagerman, Herman Brusselmans, Tom Lanoye en Kees van Kooten.
Voor 'Ik ook van jou' heb ik eerst twee andere boeken geprobeerd te schrijven, maar die werden zo serieus, doorwrocht en vol gewichtige symboliek, dat het totaal niet werkte. Al schrijvend heb ik me losgemaakt van die dogmatische benadering.'

Zijn tweede roman 'Giph' (Nijgh & Van Ditmar) is een soort briefroman. Hoofdpersoon Giph vertelt vertelt een verhaal dat zich afspeelt in het Utrechtse studentenmilieu anno 1993: Het studentenhuis, een wintersportvakantie, het Boekenbal en vele amoureuze escapades. Giph noemt het 'een groot geil gezellig feest'. Auteur Hans Warren schreef in de Provinciaalse Zeeuwse Courant: Met Ronald Giphart lijkt er weer eens leven in de literaire brouwerij te komen. Hij is een schrijver met een eigen aanpak en geluid, ironisch, jong, verfrissend, kritisch en gevoelig tegelijkertijd.
In het boek vindt de literaire afrekening plaats met de schrijver Jeroen Brouwers, eens Giphs afgod. Hij had Brouwers al eens ontmoet op een feestje, maar als hij hem opnieuw ontmoet op het feest ter gelegenheid van de AKO-prijs loopt het spaak. De niet rokende en cola drinkende Brouwers laat zich overhalen na afloop van het AKO-feest nog ergens af te zakken. Dat loopt uit de hand en Brouwers wordt laveloos. Giph laat dan zijn afgod vallen.

Zijn nieuwste boek 'Het feest der liefde' (uitgeverij Balans) is een bundeling van verhalen die eerder te lezen waren in onder meer Playboy, Propria Cures en het literaire voetbalblad Hard Gras. Het boek telt vier afdelingen 'Na het schallen van trompetten', 'De ontdekking van de wereld', 'Klein vuil' en 'Hoogtepunten'. In de eerste afdeling gaat het vooral over erotiek, in de tweede vindt men reisverhalen, de literatuur is het onderwerp van de derde afdeling en de laatste afdeling is weer gewijd aan seks.
In de stukken uit het derde deel legt Giphart nog eens zijn letterkundige geloofsbelijdenis af: 'Ik doe wat ik doe omdat ik er lol in heb. Zodra ik er geen lol meer in heb, stop ik.' En hij keert zich tegen degenen die onserieuze literatuur weigeren serieus te nemen.
Hans Warren over Het feest der liefde:

Hier is een schrijver aan het woord die zich vast heeft voorgenomen zijn publiek geen moment te vervelen. Waarschijnlijk mist hij ook het talent om een saaie regel te schrijven. We worden overdonderd door een vrijmoedige, grappige, vitale show. De belangrijkste boodschap die Giphart voor de wereld heeft is dat literatuur leuk mag zijn. En die boodschap brengt hij op de meest uitdagende en uitbundige wijze. Bijna tweehonderd pagina's lang kan de lezer al die gewichtige essays, plechtige dichtbundels en ernstige romans waaruit de Nederlandse literatuur voor een groot deel bestaat, vergeten.

Ronald Giphart is onder meer literair recensent voor Het Parool, medewerker van Boekblad en redactielid van het literaire blad Zoetermeer, samen met onder andere Rob van Erkelens.

Een studentenflat in een wat naargeestige Utrechtse buitenwijk. De zon scheen uitbundig. Ronald Giphart vroeg of ik het gemakkelijk had kunnen vinden en zei dat ik niet naar de rotzooi moest kijken. Aardige jongen, met schrandere bruine ogen achter rond brilletje; hij leek me niet de seksmaniak waarvoor hij door sommige recensenten werd versleten. Ik wilde dit onderwerp niet direct aansnijden, daarom eerst maar een vraag over Jeroen Brouwers.

-Wat sprak je zo aan in zijn werk?

"Wat spréékt me zo aan, want ik vind hem nog steeds een erg goede schrijver. Brouwers is een schitterende stilist, en als ik nu een onderscheid moet maken houd ik meer van stilisten dan van mensen die grote verhalen te vertellen hebben. Het beste Nederlands wordt geschreven door de grootste stilisten en dat zijn Reve en Brouwers onder andere.

Wat mij in het werk van Brouwers aanspreekt is zijn vonkkracht, hij is subliem in z'n taalgebruik en het lijkt alsof zijn zinnen met beitels in marmer zijn gehakt, zo goed zitten ze in elkaar. Alleen achter zijn literatuuropvatting kan ik niet meer staan: omdat ik van zijn werk hield ben ik ook gaan geloven in de dingen die hij over literatuur vond en dat is voorbij.
Hij gaat uit van het idee dat literatuur een heel serieuze zaak is, dat een schrijver min of meer door God benoemd is om te schrijven en zijn leven lang alles in 't teken van zijn schrijversschap moet stellen. Dus het schrijven is belangrijker dan het leven en dat heb ik ook een paar jaar gevonden, mede door die boeken van Brouwers.
Maar dat vind ik nu niet meer, ik vind leven veel belangrijker dan schrijven. Schrijven is leuk om te doen, maar het is in principe niet hoogstaander dan bijvoorbeeld filmen of muziek maken of iets niet-kreatiefs als in de groentenwinkel staan of iets dergelijks. Mijn mateloze bewondering voor Brouwers' wérk staat buiten kijf en dat is wat mensen vaak misvatten, maar juist daarom had ik het nodig om die opvattingen in een ander daglicht te stellen."

-In je boeken is er sprake van een autobiografisch gegeven, maar je wilt niet de indruk wekken dat 'Giph' en Ronald Giphart samenvallen. Maar de zinsnede van Brouwers 'Ik ben de de verhalen die ik vertel', geldt toch ook voor jou.

"Dat geldt voor iedere schrijver, je kan als schrijver geen woorden gebruiken die je niet kent, als schilder kan je geen kleuren gebruiken die niet op je palet staan. Alles is in die zin autobiografisch en juist een stilist, dus iemand die de taal opnieuw vorm probeert te geven, schrijft eigen teksten. Zelf zou ik niet zo snel over een vakantie aan de Wolga kunnen schrijven, wat je doet is als het ware je leven gebruiken als een ruwe versie en daar een nieuw verhaal van maken. Ieder boek is zò gezien honderd procent autobiografisch. Het is een getuigenis, aan de andere kant is het geheel niet-autobiografisch, want hoe zou een aantal velletjes een persoon kunnen representeren? Een mens is zo omvangrijk en ongrijpbaar dat het nooit op papier te krijgen is. Inmiddels is de psychologie er achter dat een mens in zijn presentatie nooit eenduidig is, zoals ik me nu tegenover jou gedraag is totaal anders dan zoals ik me bijvoorbeeld tegenover m'n ouders gedraag. Iedereen heeft een beeld van een bepaald facet van een schrijver en dat beeld is nooit in een boek te vangen.
Ik heb daar met Giph geprobeerd mee te spelen door te laten zien dat het een deel van mijn eigen leven, maar aan de andere kant een groot deel fictie is. Dat zie je aan de manier waarop Giph kan worden uitgesproken: je kan het uitspreken als Gif, dat kan je ook uit het boek opmaken, of als Giph, want dat kan ook.
Ik probeer in de titel aan te geven dat het een ongrijpbare figuur is, die zichzelf bovendien heel vaak tegenspreekt. In de ene groep gedraagt hij zich zò en in een andere groep weer anders. Ik heb geprobeerd daar een spel mee te spelen."



-Een heleboel schrijvers kunnen wel over de Wolga schrijven al zijn ze er nooit geweest.

"Ik zou over de Wolga kunnen schrijven zoals ik me voorstel hoe die eruit ziet. Ik zou het alleen zo snel niet doen omdat ik denk dat als je iets echt hebt meegemaakt je daardoor zoveel unieke details ziet dat die het werk groter kunnen maken."

-Waarom zijn je boeken zo vol met seks en waarom vind je de fysieke kant van de literatuur zo boeiend?

"In mijn werk komt niet zoveel seks voor in die zin dat mensen geslachtsdelen in elkaar hebben, maar er wordt veel over gepraat. Voor mij is seks een belangrijk thema omdat ik er achter kwam dat jonge mensen, niet alleen pubers, een groot deel van hun tijd met seksualiteit bezig zijn. Ook weer niet met het puur lichamelijke, de consumering van de liefde, maar in hun gedrag, in welke kleren ze dragen, in hoe ze lippenstift op hebben, in welke puistjes ze hebben. Hoe ze binnen de groep staan, of ze worden uitgenodigd voor een feest of niet en hoe laat ze naar huis gaan, dat soort dingen heeft op een bepaalde manier met sociale groepsvorming en dus met seksualiteit te maken. Het is een misvatting als je denkt dat in de jaren '60 Nederland seksueel bevrijd is en er geen enkel taboe meer is; er zijn veel mensen die dat geloven, want ik lees heel vaak dat seks in Nederland taboeloos is. Er is echter geen enkel onderwerp waar zo hypocriet over wordt gedaan als over seksualiteit. Achter seks gaat een diep vat schuil met allemaal emoties, frustraties, verlangens en onvervulde koesteringen. Ik vind seks een belangrijk thema en ik heb weinig anders om over te schrijven.

Ik heb geen Tweede Wereldoorlog meegemaakt, noch een gereformeerde jeugd gehad. Je moet een onderwerp bij de kladden nemen en seks is nou eenmaal, in de boeken die ik tot nu heb geschreven, een belangrijk onderwerp, ook voor mij.
Ik beschrijf seks ook fysiek, want het lijkt er op alsof niemand dat meer aandurft. Jan Cremer en Wolkers hebben dat wel gedaan, maar het nadeel van de verhalen van Cremer bijvoorbeeld vind ik dat ze zo ontzettend machoïstisch zijn. De samenleving is inmiddels behoorlijk veranderd en het machoïsme is niet meer zo interessant voor mannen. Ik voel me ook geen macho en ik zou het niet leuk vinden als mensen mij dat vinden. Er zijn momenten dat ik de liefde vrij fysiek beschrijf, maar vanuit een niet-machoïstische visie. Daar komt nog bij dat ik vooral in het eerste boek geprobeerd heb een heel scala te geven van seksualiteit en daarin speelt tongzoenen een veel grotere rol dan neuken. Wat is er mooier dan een tongzoen? "
Giphart's donkere ogen keken me doordringend aan en hij werd nu feller:

"Als critici zeggen: het gaat over neuken en nog eens neuken, dan doen ze onrecht aan mijn werk."

-Je schrijft: 'Luister, de zin van het leven is de functie die het leven heeft voor literatuur' en 'Schrijven of doodgaan, een andere keuze is er niet'. Is dat Ronald Giphart die daar spreekt?

"Ik hoor er een paar van Fräser, dat is het alter ego van Ronald, en dat zijn dingen die ik op een bepaald moment wel geloofd heb en zo'n uitspraak van Fräser over 'de zin van het leven' etc. is ook ironisch bedoeld en meen ik op zich wel, maar ook weer niet. Toen Geerten Meysing de AKO prijs had gewonnen zei hij: 'Mensen die elkaar tegenspreken, daar voel ik sympathie voor, vooral als ze het zelf niet eens door hebben. Die zijn tenminste echt.' Dat maakte zo'n indruk op me en daar ben ik het helemaal mee eens. Een persoon in mijn nieuwe boek zegt: Ik wou dat ik er altijd dezelfde mening op na hield, dat ik tevens volgens mijn principes kon leven en dat niet mijn principes mijn leven volgen. In de praktijk kan je niet een principe bedenken en volgens dat principe leven. Iedereen die hoogstaande grondbeginselen heeft zal er op een gegeven moment van af stappen. Dat tegenspreken is een normale menselijke bezigheid en natuurlijk meen ik die bepaalde uitspraken die je noemt of ik heb ze gemeend, maar soms ook niet."

-Wat moet ik denken van regels als:
'Nooit blijft alles zoals het was: dat is volgens mij ook waarom iedereen altijd maar zo triest en gedeprimeerd is' en 'Dat is het tragische van het leven, dat alles gedoemd is te vervliegen, te vervlieden of vergaan.'

"Er is sprake van vermoeidheid des levens in bepaalde situaties en verder zijn het gewoon voldongen feiten. 'Feest der Liefde', waarin ik deze regels schrijf, is cynischer van toon dan m'n eerste twee boeken, omdat ik zelf ook iets ouder geworden ben.
In 'Giph', is een mooie scène waarin hij ziek is en zegt: Op het moment dat ik me realiseerde dat ik in een groep stond, toen was die groep er niet meer, want op het moment dat je beseft: Hé, we hebben een leuke gezellige groep, waar het goed toeven is, is die vaststelling het einde van de groep, want dan ga je erop letten en kan het daarna alleen maar minder worden. Een dichtregel van Jan Eykelboom luidt: Wat is komt nooit meer terug."

-Hoe houd jij je hoofd boven water?

"In dit alles, vulde Giphart aan. Vrij vrolijk, eigenlijk. Juist door lichtvoetig te schrijven over een aantal dingen. Neem nou zo'n verhaal als het feest der liefde, wat mijns inziens toch eindigt met een mokerslag, daar putte ik vrolijkheid uit om in ieder geval te beschrijven hoe leuk het was. Het was m'n laatste studentenverhaal, ik ben nu 29 jaar en 'k ga daar niet meer over schrijven. Dingen gaan voorbij, ik ben nu met een nieuw boek bezig. Het gaat 'Phileine' heten. Dat is ook weer een woord (uit het Latijn) dat twee betekenissen kan hebben: liefhebben, en het is een meisjesnaam en het heeft ook met vilein te maken, dus het is een gemeen meisje, dat tegelijkertijd een liefhebster is van de seksualiteit. Ze is 21 jaar, ik heb haar al geschetst in het laatste verhaal uit Feest der Liefde."

-Je gaat maar door met seksualiteit.

"Ja, zeker, want ik ben er zelf ook nog niet uit. Ik zit heel erg met dat overspel. Iedereen fuckt maar en heeft tegelijkertijd die monogamie zo hoog in het vaandel.
Ik wil een serieuze aanval gaan doen om die monogamie er eens uit te krijgen, die spiegel voor te houden van: jullie zijn niet monogaam, niemand is het. Zelfs een diersoort die monogaam is heeft minder overlevingskans, er zijn volgens mij geen diersoorten die monogaam zijn; men denkt soms dat bijvoorbeeld pinguins monogaam zijn, maar dat blijkt niet zo te zijn. En ook mensen zijn het niet, want mensen die ooit overspel hebben gepleegd hebben meer nageslacht gekregen dan mensen die het niet gedaan hebben. Wij allemaal zijn nazaten van erg overspelige soorten. Nou is er een verschil tussen natuur en leer, dus volgens onze genen willen we graag overspel plegen, maar onze gedragscodes zeggen dat dat niet kan. Dat is een voortdurend conflict en een prachtig onderwerp."

-Ik wil daar straks privé nog wat over praten met je.
Ronald keek strijdlustig.

-Voel jij je thuis in het literaire wereldje en hoe word je gezien?

Ja, ik voel me daarin als een vis in het water en ik houd van schrijvers. Ik ben serieus met mijn vak bezig, schrijf iedere dag. Ik las onlangs in de Volkskrant: Giphart kan wel schrijven als hij maar wil, maar hij is zo lui. Ze denken dat als je boeken vlot geschreven lijken, je ze ook vlot schrijft. Ik kan je wel vertellen dat het herschrijven van m'n teksten, en dat doe ik veel, hard werken is. En dan vind ik het leuk om een persoon als Fräser (uit 'Ik ook van jou') te laten zeggen: liever trek mezelf helemaal het leplazarus af, dan dat ik ooit één regel herschrijf. Nou, dat stuk heb ik heel vaak herschreven!

Ik heb twee jaar geleden met een andere jongen het 'Kwadraats Groot Literair Lees Kijk Knutsel en Doe Vakantie boek' gemaakt, een persiflage op die kinder vakantieboeken en dat boek is één groot eerbetoon aan de literatuur, al proberen we wel die heiligheid ervan af te halen. Ik vind dat literatuur op een bepaalde manier een afspiegeling moet zijn van het leven en ik houd ervan om nogal te lachen: ik ga vaak met m'n vrienden naar het café en de leukste avonden zijn de avonden waarop we goed gelachen hebben. En als ik naar de tv kijk mag ik graag vermaakt worden. Ik houd ook van spannende detectives en van wetenschappelijke programma's, maar ook van programma's waar goed om gelachen kan worden.
Dat aspect vind je in de Nederlandse literatuur nauwelijks terug; op een paar schrijvers na zoals Van Kooten, Brusselmans, Lanoye, en hier en daar een boek van Zwagerman, wordt er niet gelachen. Juist humor kan ook een manier zijn om de ernstige dingen wat beter te accepteren. Het feit dat alles voorbij gaat en dat iedereen gedoemd is dood te gaan, dat met humor te aanvaarden maakt het draaglijker dan dat je dat gaat beweeklagen. Mensen schrikken ook altijd zo als je een grap maakt."

-Ze schrikken ook als er uitbundig over seks wordt geschreven. Sommige recensenten schrijven dat je boeken alleen maar over neuken en nog eens neuken gaan.

"Dat is A om me neer te zetten en B is het een schrikreaktie."

-Ik snap niet dat weldenkende critici je boeken zo negatief beoordelen.

"Dat heeft te maken met oudere normen en waarden. Vroeger was de samenleving onderverdeeld in hoge dingen, de staat, de God, de waarheid, de zin van het leven, de literatuur en de hoge kunst. En je had lage dingen, eten, seks en andere lichamelijke zaken.
Literatuur hoorde over hoge dingen te gaan. Langzamerhand gingen die hoge en lage begrippen vervagen en begin je literatuur - en dat is na de Tweede Wereldoorlog, waarin het postmodernisme opkwam - over seks te krijgen. En God is dood in die zin dat iedereen z'n eigen God mag bepalen. Steeds meer mensen accepteren dat onderscheid niet meer en zeggen: laag is net zo interessant als hoog. Als jij het lekker vindt om een patatje oorlog te eten is dat prima en als je het lekker vindt om de volgende dag gesauteerde hertereet te eten is het ook goed. Alles mag. En daar sta ik natuurlijk volledig achter."



Ellen de Jong-de Wilde.