Dewulf, Bernard

Bernard Dewulf geeft kleur aan ‘Kleine dagen’


‘Het werd de ochtend van een dag. Buiten sloegen de geluiden aan het zweven in ons late hoofd. Iets in de kamer hield onze adem in en kwam toen ademend de kamer in, de ochtend van zijn leven. Het keek naar alles wat het nog niet zag. Het schreeuwde om alles wat het nog niet wist maar wel al miste. Het lag in onze handen en het was hij.’ Met deze regels begint ‘Kleine dagen’ van Bernard Dewulf, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2010. Uitgave Atlas. Inmiddels beleeft het boek z’n achtste druk. Het lijkt zo’n alledaags gegeven: een vader schrijft over zijn dagelijks leven met zijn vrouw en twee opgroeiende kinderen, een jongen en een meisje. Het huis, de tuin, kortom over het wereldje om hem heen. Dat brengt Dewulf tot leven in korte verhaaltjes, en dan blijkt dat wereldje helemaal niet klein, maar allesomvattend, dankzij de kleur die Dewulf aan ‘Kleine dagen’ geeft. De vader heeft een en al oog voor de ontwikkeling van zijn kinderen en verwondert zich daar voortdurend over. In poëtische taal verwoordt hij vooral de melancholie, waarvan het hele boek doortrokken is: ‘melancholie is een onbestemd verdriet’. Dat lees ik graag. Hoe onbestemder, hoe bekender’, schrijft Dewulf. Bij hem is er een voortdurend besef van het tijdelijke van alles voelbaar: zijn kinderen zullen hem verlaten, elke dag is er één van afscheid. Talloze beeldende scènes spelen zich in en buiten het huis af en ook zijn vrouw blijft niet onopgemerkt. ‘Kleine dagen’ is één grote lofzang op Dewulfs gezin, al verliest hij nooit de realiteit uit het oog. Het meesterlijke van deze auteur zit ‘m onder meer in het feit dat hij registrerend kijkt en zijn bevindingen uit in een taal die niet ontaard in sentimentaliteit. De karakters van zijn jongen en zijn meisje krijgen steeds meer kleur naarmate ze opgroeien. Over zijn zevenjarige dochter noteert Dewulf: ‘Dat ik, wow, een coole zonnebril op heb. Zeven is ze. Ik haal ze af van school, vriendinnetje en dochter. Dochter knikt instemmend: cool. Dank u, zeg ik, vele jaren hoger en uiterlijk onverstoorbaar. Ze staan keurig naast elkaar te wachten, boekentassen op de rug, blote knietjes zwart van speelstof. Twee meisjes die op mij wachten. En ik ben cool. Ze huppelen voor me uit naar huis en wijzigen het straatbeeld voorgoed. Taterend, tetterend, klaterend. Hun bodygard veilig achter hen. Iets begint achter mijn zonnebril gedempt te zingen. Het leven is niets, tussen twee stilten is het gewoon even luid geweest, tot men in het midden ervan naast twee huppelende meisjes-van-zeven loopt. Zeven, een sublieme leeftijd. Ik probeer incognito mee te huppelen, een hinde in het diepst van mijn houterige gedachten. Ze keren zich om, hun vlechten zwieren in het rond, ze lachen zich te barsten. Ze wachten tot ik bijgebeend ben, giechelen hartstochtelijk, kijken even op naar de laag overzwevende zwaluwen en nemen dan elk een hand. Zo moet je dat doen, zeggen ze.’
Over zijn zoon schrijft Dewulf: ‘Wij zitten samen te kijken. Een wedstrijd van de grote jongens. Allemaal richting twee meter. Af en toe zegt hij: wow. Hij kijkt vooruit, ik kijk terug, nooit kijken wij gelijk. Zie je die nummer 4? Hij knikt. Zo was ik. Hij kijkt even op, dan naar nummer 4, kijkt terug en zegt niets. Hij ziet gewoon nummer 4, hij kan onmogelijk mij zien. Wij droegen kortere broeken en langere kousen, voeg ik toe. Hij glimlacht kort. Het lachwekkende van mijn onderneming. En het bijna dwangmatige ervan. Hoe het kriepen van de zolen op de speelvloer momenten van een specifiek geluk terugbrengt. De codewoorden, de bewegingen, de versnellingen, het gezucht, het galmen van dat alles in de hoge sportzaal. En in het verre hoofd. Hoe dat alles nog in het lichaam zit, als een gave pit in verloren vruchtvlees. Hij ziet zich straks, ik zie mij vroeger. Zijn open mond ademt volop een zich uitstrekkend nu. Hij neemt toekomstige bewegingen op die dagelijks in mij afnemen. Nooit kijken wij gelijk.´ Het laatste stukje van het boek begint met de regels: ‘Er groeit een verte in hen waar ik niet zal zijn. Soms zeg ik: later, zoals in: later zul je dat begrijpen. Of wacht maar, later. Dan kijken ze op den duur: jij altijd met je later. Noch zij, noch ik begrijpen dat later.’ En de slotzinnen luiden: ‘Waar het op neerkomt: hoe vreemd het is dat wij elkaar nooit volledig zullen zien. Zeg ik ‘later’, dan weten zij niet waarover ik het heb. Zeg ik ‘vroeger’, dan weten zij niet waarover ik het heb. Wij delen een heden, zoals New York en Brussel: in andere tijdzones, maar in dezelfde tijd.’ Ongeëvenaard weet Dewulf de weemoed over het verstrijken van de tijd en dan vooral in relatie met zijn kinderen te beschrijven.


Interview

Tijdens het lezen van zijn stukjes pinkte ik af en toe een traantje weg, zo ontroerend en herkenbaar zijn Dewulfs belevenissen.
Ik heb mijn drie kinderen het boek cadeau gegeven om hen er deelgenoot van te maken aangezien ze nu zelf kinderen hebben. En ik wilde Dewulf per se interviewen en dat geschiedde.
In de stationsrestauratie in Antwerpen centraal vertelt hij hoe hij tot ‘Kleine dagen’ is gekomen:
‘Ik schreef jarenlang korte stukjes over de dingen des levens voor de kwaliteits krant ‘De Morgen’, en kreeg daar veel reacties op. Het begon, op grond van die reacties, langzaam tot me door te dringen dat ik eigenlijk in nogal wat stukjes bezig was met een soort kroniek van de kinderen, het huis, zeg maar van de nabije omgeving, heel gedetailleerd. In 2009 zei mijn uitgever tegen mij: je hebt nu zoveel stukjes geschreven over je kinderen, je huis, zou je daar nu niet eens een boek van maken. En toen heeft het nog lang geduurd eer ik samen met hem een tweehonderdtal stukjes bij elkaar had en daar ook nog een boek van te maken. Er een lijn in te brengen. In 2002 was ons oudste kind zes jaar en de jongste ongeveer vier. In dat jaar begon ik over hen te schrijven. Ik heb hen bewust in het boek geen naam en geen leeftijd gegeven, ik wilde die niet openbaar maken en ook heb ik dat niet gedaan gezien het literaire argument. Ik wilde het namelijk allemaal wat abstract houden en een beetje algemeen zodat het voor mensen herkenbaar zou zijn. Bovendien is een aanzienlijk deel van wat ik heb opgeschreven, verzonnen, fictie, literatuur.’
Hoe duidelijk zijn de verschillen in de karakters van de zoon en de dochter, vervullen ze hun rol die bij hun sekse hoort? ‘Ik heb het in het boek over het prinsesje en over de stoerdoenerij van de jongen. Ik heb dat wel aangedikt, al hebben die hoedanigheden wel hun wortels in de werkelijkheid. Wat misschien wel het meest dankbare in de loop der jaren is geweest is dat het meisje een groot theatraal talent heeft, zal ik maar zeggen. En dat is dankbaar schrijven omdat het onderwerp je de verhalen en de scènes aanreikt.’
Wat vindt Dewulf zelf het hoofdthema van het boek? De melancholie, de verwondering?
Dewulf: ‘Ik weet dat alle literatuur erover gaat maar voor mij is het: De tijd. Mijn ervaring is dat de tijd op weinig plekken zo zichtbaar vooruitgaat maar tegelijkertijd zo wonderlijk, als in de kindertijd. Ik heb zes jaar kindertijd beschreven van twee ‘toevallige’ kinderen uiteindelijk, en voor mij is het hoofdpersonage van het boek: De tijd.’
U schrijft ook: ‘Wij delen een heden, zoals New York en Brussel: in andere tijdzones, maar in dezelfde tijd.’ Dewulf knikt: ‘Dat zijn niet voor niets de slotregels daar het de samenvatting is van mijn boek.’
Waar moest Dewulf voor oppassen tijdens het schrijven van zijn kronieken? ‘Dat ik niet te sentimenteel zou worden, hetgeen een paar mannelijke recensenten mij wel verweten hebben. Ik denk dat het te maken heeft met de taal, met de manier waarop je het formuleert. Het mes snijdt aan twee kanten. Het feit dat ik als man, als vader – vrouwen schrijven vaker over dit onderwerp al betreur ik dat - hierover schrijf. Als je als man hieraan begint heb je een voordeel, maar ook een nadeel, want het is niet het onderwerp van mannen. Dus het wordt snel klef genoemd: daar heb je weer zo’n vader. Mijn uitgever en ik hebben die stukjes eruit gehaald waarvan we vonden, hij meer dan ik omdat ik het moeilijk vond mijn darling te killen, dat ze klef waren. Hopelijk hebben we alleen die verhaaltjes overgehouden waarin het sentiment net beheerst wordt.’
Dat neemt niet weg, zeg ik tegen Dewulf, dat ik af en toe een traantje moest wegpinken. Dewulf knikt instemmend, schudt m’n hand.


Ellen de Jong

ISBN ‘Kleine dagen’: 978-90-450-1579-8