Brassinga, Anneke


Er is nog iets meer dan wat er staat
Anneke Brassinga (Amsterdam, 1948) is vertaalster van onder andere Broch, Nabokov, Forster en Plath. In 1987 debuteerde zij als dichteres met Aurora. Haar tweede bundel Landgoed, uit 1989 werd bekroond met de Herman Gorterprijs. Vervolgens verschenen de bundels Thule en Zeemeeuw in boomvork. Haar prozadebuut Hartsvanger verscheen in 1993.
Brassinga's werk is uitgegeven bij De Bezige Bij. Een constante factor, niet alleen in haar vertalingen, maar ook in haar eigen literaire werk is haar liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van de taal. Haar poëzie en proza vormen een niet-aflatend onderzoek naar het taalmateriaal zelf: de klank, de meerduidigheid van elk woord, de eindeloze associatiereeksen waartoe een woord aanleiding kan geven. Een sterke bron van inspiratie is de natuur in al haar facetten.
Behalve over taal en natuur dicht Brassinga over de liefde, de herinnering, de zintuiglijke ervaring en het dichten zelf.

Representatief voor haar poëzie is: de rijkdom aan onconventionele beelden, het speelse, het fysieke, het gebruik van de taal als klank, als muziek. De ouderwetse, onbevangen liefde voor klank doet denken aan Gorter en Van Ostaijen. Maar haar poëzie is in de eerste plaats visueel en plastisch en niet alleen maar van taal.
Brassinga's bundels hebben verschillende poëtische stijlen, van bezielde retoriek en klankvers tot sobere bespiegeling. Hartsvanger vertoont eenzelfde veelheid van stijlen. Er zijn betogende essays, dagboeken met jeugdherinneringen in een heel eigen taal en vrolijke reisbrieven.
Haar reizen naar India en IJsland hebben eveneens hun sporen in het werk achtergelaten. In India trad zij in de voetsporen van de door haar vertaalde Forster; zij berichtte erover in een serie reisverslagen (Overtocht naar India). IJsland werd bezocht voor de vertaling van Audens Brieven uit IJsland, en vormde tegelijk de inspiratiebron voor haar eigen bundel Thule. Brassinga's dagelijkse werk als vertaler klinkt in het hele oeuvre door, in de vorm van een duurzame woordverliefdheid.

Anneke Brassinga wilde als kind bioloog worden, maar werd het niet.
Brassinga: "Ik kon de HBS-B niet halen omdat ik alleen maar enen en drieën haalde voor de exacte vakken. Dat vond ik toen wel jammer."

- Verklaart dat je liefde voor de natuur in je poëzie - en dan vooral voor de lucht die voor jou het summum van natuur is?
Brassinga schoof haar lange, donkere haar van haar gezicht weg, rolde een sigaretje en bekeek mij vriendelijk:
"Ja, de lucht is een van de weinige vormen van ongerepte natuur die er in Nederland nog is. Het bos is gecultiveerd, elk weiland is platgespoten en de duinen zijn zorgvuldig voorzien van voetgangersbordjes. De lucht is de enige plek, waar niks aan te verknallen is; af en toe zie je straaljagerssporen, maar die vervliegen snel."

- Het lijkt me fijn dat je die liefde in je poëzie kwijt kan.
"Dat gaat vanzelf, je hebt die belangstelling al, dus dat bepaalt ook de blik waarvan uit je gaat dichten. Het vergt geen besluit om over een boom een gedicht te schrijven als je al graag naar bomen kijkt. Dan wordt het ook vanzelf een soort beeldspraak, je hoeft er niet naar te zoeken, het doet zich gewoon voor."

-Uit je poëzie en ook uit je vertalingen spreekt een overstelpende liefde voor taal. Hoe is die liefde ontstaan?
"Ach, ja, voor mij was natuur en lezen één; je ging als kind in het bos wandelen of je ging in een boek wandelen en dat vond ik allebei even spannend, verwonderlijk en ook betoverend. Ik las al op mijn vierde jaar. Mijn ouders letten er niet op wat ik las, dus las ik de meest zedenbedervende boeken! Als je als kind leest is alles heel werkelijk, het is geen fictie, dus dat maakt een gweldige indruk en daardoor raak je steeds meer verslingerd aan de taal, waarin zich dat allemaal afspeelt. Dat wordt iets heel levends, iets waar je een wereld in vindt."

Gorter en Lodeizen
- Wat roepen de door jou zo geliefde dichters als Gorter en Lodeizen bij je op? ('Brassinga's debuut' opent met een motto van Gorter en ze verwijst naar Lodeizen door middel van een citaat, waarmee het openingsgedicht Aurora begint: 'O kus mij, o omarm mij.')
"Ik denk hetzelfde geloof in een soort verbinding tussen zintuigelijkheid en taal. Dat je inderdaad zoiets kunt roepen: O, kus mij, o omarm mij, en dat je daarmee in die taal als het ware de aanwezigheid van de geliefde oproept en erdoor wil worden gekust en omarmd."

- Je vertaalt en je schrijft, beïnvloedt dat elkaar ten goede?
Brassinga, zacht lachend:
"Ik hoop het, ik denk het wel. Als je vertaalt ben je veel bezig met woorden zoeken. En de goede formuleringen vinden; het is een voortdurende training in het zowel vinden van nieuwe, leuke objektjes in de vorm van woorden als in 't proberen zo scherp en duidelijk mogelijk te zeggen wat iemand anders of jezelf bedoelt."

Criticus Guus Middag schrijft (Vrij Nederland '87) dat het opvallende van Brassinga's poëzie is dat zij durft te zingen en dat zij daarin overeenkomt met de door haar bewonderde Gorter. 'Gorter was een zingend lichaam', schreef Brassinga in NRC Handelsblad bij de herdenking van de honderdste Mei.
- Guus Middag meent (NRC Handelsblad '90) dat het ware wezen van je poëzie eerder tussen de regels en de woorden gezocht moet worden, in het verzwegene: daar verschuilt zich kwetsbaarheid, breekbare gevoeligheid en een onbestemde vrees voor de overvolle werkelijkheid. Er zijn daarvoor maar twee uitwegen; terugverlangen naar de geborgenheid van een tijdloos Arcadië, naar een staat van onbevangenheid.
"Ik vind het van zachtmoedigheid getuigen als een criticus bereid is iets tussen de regels te lezen en niet alleen maar denkt: O, dit staat er, hier gaan we iets over schrijven. Maar dat hij het gevoel heeft van: Er is nog iets meer, dan wat er staat. Dat vind ik heel prettig van de heer Middag."

- De tijdelijkheid van de mens tegen de achtergrond van aardse elementen is een wederkerend thema.
"Ja, en dat wordt steeds erger, want hoe meer je in je leven met sterven te maken krijgt, hoe duidelijker dat als ondertoon gaat klinken bij alles wat je ziet en meemaakt."

Ellen de Jong - de Wilde

Conserve
Alles van liefde wordt bewaard
zo legden wij het in het zuur
voor later. Alles blijft
bewaard, maar waar,
's winters, vinden wij
die pot vol afgesneden groen
loof nog terug?

(Uit: Thule)
Gras
Bezaaid met geluk de klinkervloer
waar ik kniel en in donker tast.
Het waterglas vloog uit mijn handen
alsof een god verscheen, op slag
verdween. Alles is nat; was dit
het blinkend gras en ik het kind
dat zocht een verloren vergroot-
glas, scherven nog niet lezen kon.