Bouazza, Hafid



Ik probeer een verbeeldingswereld in woorden te vatten

Auteur Hafid Bouazza (1970) werd geboren in Oujda, Marokko, vlakbij de Algerijnse grens. Toen hij zeven jaar was verhuisde het gezin naar Nederland. Ze gingen in Arkel wonen, een
plaa¬tsje in Zuid-Holland waar de Bouazza's het enige buiten¬landse gezin vormden. Hafid leerde het Nederlands spelender¬wijs. Pas later werd hij zich bewust van de taal.
Hij ging Arabische taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam studeren en werkte als docent en vertaler Ara¬bisch. Hij componeerde muziek voor diverse film- en danspro¬dukties en schreef het toneelstuk Apollien. Hij debuteerde met de verha¬lenbundel De voeten van Abdullah (uitgeverij Arena) in 1996, die inmiddels een zesde druk beleeft en lovend werd ontvangen, tevens bekroond werd met de E.Du Per¬ron-prijs 1996.
Zeven van de acht verhalen spelen zich af in Marokko waar sjeiks en imams de dienst uitmaken en het leven volgens oude patronen verloopt. Vrouwen worden uit het openbare leven geweerd en de mannen proberen gewetensvol de wetten van de islam na te leven. Het is een exotische, in barokke taal geschreven bundel. Vooral het taalgebruik met veel beeld-spraak, lange zinnen en vreemdsoortige woorden valt op.
Bouazza is verzot op allitererende en klanknabootsende uit¬drukkingen als: 'woordverorberend gemurmel, een grimas van grienende pijn en een blanke, blakende noen.'
In het eerste verhaal vertelt een oude man hoe hij met zijn slaaf en lustknaap na zonsondergang per muilezel op weg gaat naar zijn arts. Hij is zijn gezichtsvermogen kwijt en moet zich oriënteren op zijn 'herkauwende geheugen' en het geluid om hem heen. Twijfelend aan alles vraagt hij zich af waarom hij nog leeft: 'Uiteindelijk is het einde slechts een kwestie van waardigheid.' Dit verhaal heeft iets weg van een sprookje, (Bouazza is een bewonderaar van Vertellingen van duizend-en-één nacht). In alle verhalen volgen de poëtische, surrealisti¬sche en soms gruwelijke beelden elkaar in hoog tempo op. Een moeder wier zoon in de 'Heilige Oorlog' is gaan vechten, vindt op een dag twee levende voeten voor haar deur, geamputeerd en uitlopend in wat op 'salami-schijfjes' lijkt. Elders wordt een dorp betoverd door geesten waarna overal het onheil toeslaat.

Ik zoek geen eigen taal


Bouazza woont in Amsterdam. "Laten we maar in de keuken gaan zitten, daar is het niet zo'n rommel",zegt hij. Hij loopt geruisloos voor me uit op blote welgevormde voeten en maakt met een snel gebaar de tafel vrij van boeken en tijdschriften.

Je bent een Nederlands- en geen allochtone schrijver heb je vaak beweerd. Je hent een bijzonder taalgebruik.



"Ik zoek geen eigen taal want ik maak gewoon gebruik van het Nederlands, wel hanteer ik af en toe woorden die niet meer gangbaar zijn maar dat is voor mij nog steeds Nederlands. Ik heb wat dat betreft geen scrupules, de enige norm die ik heb is dat een woord datgene uitdrukt wat ik ermee wil uit¬druk¬ken. Het is dus altijd een zoeken naar het juiste woord en dat ligt eigenlijk al paraat in mijn hoofd. Ik neus dus niet in woor¬denboeken, ik maak gebruik van een vocabulaire die ik in de loop der jaren heb opgebouwd. Taal is niet alleen een middel om je uit te drukken, het is veel meer. Taal re-flecteert ook een bepaald bewustzijn van mensen en dat vind ik uitermate fascinerend."

Is het bij het schrijven een voordeel dat je vanuit verschil¬lende culruren leeft?

"Ik ben me daar nooit bewust van geweest; tijdens het schrij¬ven ben je daar niet mee bezig. Ik heb daar ook nooit bij stil gestaan en ik weiger te geloven dat ik, omdat ik Marokkaan ben en in Nederland ben opgegroeid, een grotere cultuur zou heb¬ben, waardoor ik beter zou kunnen schrijven. Ik maak in mezelf helemaal geen onderscheid tussen het Marokkaanse en het Neder¬landse gedeelte, want dat is helemaal verweven."


In 'De verloren zoon', is de moeder van de ik-figuur een Nederlandse die zich tot de islam heeft bekeerd. Ze wordt zo overtuigend beschreven dat het verhaal, evenals sommige stuk¬ken uit het titelverhaal, autobiografisch lijkt.

Bouazza:

"Ik wilde het titelverhaal duidelijk beginnen als een bekente¬nis, als een autobiografisch verhaal, dat idee wilde ik de lezer geven. Ik heb ook duidelijk de datum 22 oktober 1977 erbij gezet om iets heel historisch te duiden (wij arriveerden toen namelijk ook in Nederland). Tot de twee voeten voor de deur staan dan gaat alles een beetje wankelen en neemt de verbeelding het over. Dat heb ik bewust gedaan, het was een spelletje van mijn kant. Hoe mijn verbeelding op hol sloeg bij die herinneringen, dat vond ik interessant."

Taalgebruik

Bouazza's verhalen gaan alle over min of meer verboden seks: een meester misbruikt zijn jonge slaaf tot bloedens toe, imams en pedofielen doen het met jongetjes, de jongetjes begeren hun zusters en gebruiken vervolgens elkaar bij het penetreren van een geit of ezel. Hij beschrijft de ontluikende seksualiteit bij elf- tot dertienjarige jongetjes in het Marokkaanse dorp waar hij maar tot zijn zevende jaar gewoond heeft.

Je herinneringen zijn vermengd met fantasie. Gaat het je vooral om het literair vormgeven ervan?

"Hoe maak je een bepaalde sfeer van broei¬erig¬heid, van span¬ning voelbaar? Hoe doe je dat? Dat maakt literatuur tot lite¬ra¬tuur denk ik.
Je hebt de pit en daar moet je nog een bolster om heen bouwen. Voor mij is dat het impressio¬nistisch, in elk geval niet analytisch, weerge¬ven van indrukken. Zo fysiek mogelijk ook. Ik houd van een lijfelijke manier van schrijven en dat moet mijn taalgebruik weergeven."
In je laatste verhaal gaat het dorp in vlammen op. Is dat een persoonlijke afrekening? Nooit meer Marokko?

"In het boek waar ik nu mee bezig ben komt Marokko ook weer voor. Het was wel een afrekening met dat dorp, in die zin dat ik het leuk vond het dorp een beetje een Wagneriaans einde te geven, zo'n Walhalla dat helemaal in vlammen opgaat. Een dergelijk onbetekend dorp, gebaseerd op het dorp waar ik zelf ben opgegroeid, dat steeds groter en demonischer wordt gedu-ren¬de de verha¬len in vlammen te laten opgaan als een soort Kora¬nische ramp. Ik heb toen wel gedacht: ik laat dit dorp in brand vliegen want dan zal ik er ook niet meer over schrijven. Wat ik nu over Marokko schrijf is vindt zijn bron niet meer in dat dorp."


In de novelle Momo (uitgeverij Prometheus, 1998) komt een Marokkaans dorp niet meer voor. Het verhaal speelt zich af in Herfsthoven, een frisgroen Hollands tuindorp waar in een keurige galerijflat een echtpaar op middelbare leeftijd toch nog een zoon krijgt: Momo. Het is een uitzonderlijk gevoelig jongetje dat met oude, grijze ouders opgroeit, op school ge¬pest wordt door klasgenootjes en wegvlucht op een schoolreis¬je. Hij sluit zich steeds meer op in zijn verbeeldingswereld¬je. Bouazza schrijft dit hele gebeuren in een Gorteriaanse, lyrische taal. Bijvoorbeeld als Momo wordt geboren schrijft Bouazza: 'Het grijst en schimmert, een ver getsjilp vangen wij op, luider gekakel, misbaarlijk gemekker. Een dans van calei¬doscopische verblindingen verwelkomt ons als moeder het jong met een geleiachtig borbelen naar buiten perst. Met een laat¬ste krijs van moeder, de eerste roep van de boreling, komt na het zichtbenemend stralen het besef van wijdere werelden. Jubel en juich.'

Bouazza heeft het in Momo over wij-stemmen, en soort naar binnen gerichte demonen die voor Momo het contact met de magische wereld vertegenwoordigen. Die mysterieuze wij-vertel¬lers verschaffen Momo 'een levende verbeelding.'

Hoe zit dat met die fantasiewereld van Momo?

"Hij vlucht niet in die fantasiewereld om de realiteit te ontsnappen, het is gewoon een wereld die reeël voor hem be¬staat, en die wel beetje bij beetje de overhand krijgt, waar¬door hij er steeds meer in verdwijnt en die andere wereld steeds minder nodig heeft om voort te bestaan. Dat je kan verdwijnen in je eigen fantasie, dat verbeelding zo sterk is dat het een schep¬pend vermogen krijgt dat vond ik interessant. Momo ge¬looft dat elk bladgeritsel, of een zonne¬schicht tussen de bomen toebehoort aan iets van een andere wereld. Het is eigenlijk de wereld van een schizofreen of autist."

Geldt voor jou als schrijver dat de werkelijkheid beter te begrijpen is door middel van de verbeelding?

"Dat geloof ik wel want dat is mijn manier van schrijven. Ik vind dat wij via onze verbeelding ingang tot de werkelijk¬heid hebben en daar valt ook de herinnering onder. En de taal is de glorie van de menselijke verbeelding zelf, is de mani¬festatie van die verbeelding. Als we het over de poot van een tafel hebben, spreken we over een analogie, want een tafel heeft geen poten, dieren wel. Onze taal schept eigenlijk al die paralelle wereld. De taal kan nooit onze alledaagse werke¬lijkheid zo weergeven als ze is, omdat die werkelijkheid niet eenduidig is."

Taal schiet dus voortdurend tekort.

"Precies. En de uitdaging van het schrijven is om steeds de taal naar je hand te zetten en de grens te verleggen zodat je zoveel mogelijk kan uitdrukkken wat je wilt uitdrukken. Dat gebeurt dus ook in Momo maar de taal gaat daar een soort eigen leven leiden want het wordt alleen maar schimmiger. Blijkbaar heeft de werkelijkheid wel behoefte aan etiquette en vaste normen, de verbeelding niet, die probeert dat te overstijgen. Door middel van de verbeelding kan de mens zijn beperkingen, zijn gevangen zitten inzichzelf overvleugelen", denk ik.

Recensent Goedkoop schreef in een bespreking over Momo
(NRC Handelsblad, 8-5-'98): 'De nadrukkelijkheid waarmee Bouazza suggestief wil schrijven, keert zich vaak juist tegen de suggestie.


"Ik probeerde Momo helemaal niet suggestief te schrijven,
want op een gegeven moment schrijf ik ook: Wij verwringen woor¬den om het nauwelijks definiërbare te defini¬eren. Ik probeer alleen maar een verbeeldingswereld in woorden te vatten en daarin schiet de taal tekort. In Momo is dat het geval; af en toe leun ik sterk op Gorter en hij is daar ook ver ingegaan. En dan gaat de taal niet alleen een eigen leven leiden maar ook refeert ze dan niet duidelijk meer naar iets in de werkelijkheid. Je kunt moeilijk naar iets refereren dat geen werkelijkheid heeft. Er is dus helemaal geen sprake van suggestief schrijven, integendeel, het ging er juist om het suggestief schrijven tegen te gaan."


Ellen de Jong