Boerstoel, Jan



Jan Boerstoel bij literaire lunch van SLEE

Ik houd van het lied


Voor het zevende achtereenvolgende jaar organiseert de Stichting Literaire Evenementen Eemland (SLEE) een literaire lunch op zondag 25 januari 1998 om 11.30 uur in restaurant Kroonenburg, Snouckaertlaan 2 in Amersfoort. Dichter, cabaretier en tekstschrijver Jan Boerstoel (1944) zal die middag optreden. Hij studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschap en begon als tekstschrijver voor het legendarische cabaret Don Quishocking. Vervolgens schreef hij teksten voor onder andere Adèle Bloemendaal, Jenny Arean, Martine Bijl, Ivo de Wijs, Jasperina de Jong, Youp van 't Hek en Gerard Cox. Maar ook voor jonge talenten als Alexandra van Marken en Lenette van Dongen. Daarnaast werkte hij voor radio en televisie. Hij publiceerde in Het Parool, literaire tijdschriften en gaf bij Bert Bakker onder meer de poëzie¬bundels 'Eerste keus', liedteksten 1968-1986 en 'Iemand mag het doen' uit. Hij ontving de Kees Stipprijs voor Light Verse en de Annie M.G. Schmidtprijs voor zijn door Jenny Arean gezongen lied 'Iemand moet het doen'.
Tussen de gangen treedt de Haagse zanger Mark Drost op en tot slot is er een open podium waar liefhebbers en belangstellenden gedichten kunnen voorlezen. Met dit literair, culinair en muzikaal festijn viert de SLEE haar 23-jarig bestaan. Tijdig reserveren tel. 033-4632902.

Boerstoel dicht niet alleen over alle grote thema's des levens, maar ook over de kleine alledaagse dingen. Zijn teksten zijn helder en hebben een subtiele diepgang, met een ondertoon van ironie:
'Want altijd zal het gaan zoals het gaat, daar helpt geen lieve moeder aan en ook geen vader Staat, het Boek van Alle Mensen wordt geschreven met carbon...Dus nooit is er iets nieuws onder de zon'.


De regen kwam met bakken uit de lucht vallen toen ik door de keurige Amsterdamse Zuidwijk bij zijn huis aankwam. Boerstoel nam galant mijn drijfnatte jas en parapluie aan en ging me voor naar zijn woonkamer. Hij was correct gekleed: donkerblauwe blazer op lichte spijkerbroek en zijn Nederlands sprak hij al even netjes uit.
Waar wilt u zitten en wilt u koffie of thee?


Ik vond het een prettige stem om naar te luisteren en herkende zijn intonatie van een optre¬den en vroeg hem of hij met het klimmen der jaren steeds muzika¬ler was gaan schrijven.
"Dat zou best eens kunnen ja, ik houd in ieder geval meer rekening met muziek dan ik vroeger deed. Toen ik begon schreef ik, wat vorm be¬treft, betrekkelijk eenvoudige stukken, coupletten van acht regels en allemaal even lang. Verhaaltjes op rijm, balladeachtig. Later ben ik wat ingewikkelder en ook losser gaan schrijven en ik denk dat dat inderdaad met de muziek te maken heeft. Ik ging er meer rekening mee houden evenals met de eventuele muzikale effec¬ten. Wat dit betreft heb ik het een en ander geleerd van Henk van der Molen met wie ik lang heb samenge¬werkt.
Het werden toen ook meer liederen met specifieke lied-eigenschappen. Zelf heb ik ook wel enig idee hoe het muzikaal zou kunnen, alleen ben ik geen componist, die muziek zou niet zo interes¬sant zijn." Boers¬toel lachte fijntjes. "Maar het betekent wel dat ik op een bepaalde manier schrijf, het moet altijd zingbaar zijn en dan weet je nog niets van de muziek die er bij komt."
-Uw 'hoorpoëzie' moet aan andere eisen voldoen dan uw 'leespoëzie'.
"Ja, dat is waar. De rol van het wit, om maar eens een buitengewoon platgetreden pad te noemen, speelt bij het zingen geen rol. Hoewel pauzes natuurlijk ook gelden voor het zingen van een lied, is dat toch een ander gegeven. De gedichten van Lucebert bijvoorbeeld kan je vijf keer lezen voordat je uiteindelijk een beetje begrijpt wat er staat. Voor een lied geldt dat niet want de mensen moeten toch in één keer de gedachtengang kunnen volgen anders schiet het aan zijn doel voorbij, al wil dat niet zeggen dat ze ook meteen alle aspecten van zo'n tekst doorhebben."
-U schrijft voor artiesten met wie u zich gevoelsmatig verwant voelt, is dat een voorwaarde?
"Ja, en dat gold ook voor programma's waarmee ik me verwant voelde (inmiddels ben ik daarmee gestopt), ik wilde weten in wat voor con¬text zo'n stuk terechtkwam. Het een heeft ook met het ander te maken, het betekent dat de ideeën van de artiesten die mijn teksten uitvoe¬ren overeenkomen met de mijne. Maar ik ben niet alleen met tv-, maar ook met theaterteksten gestopt. Ik schrijf nu elke week een colomn in het Algemeen Dagblad en daarnaast ben ik voorzitter van een muziek- en auteursrechtenorganisatie en dat kost veel tijd.

Op de een of andere manier had ik niet zo'n plezier meer in het schrijven voor tv en theater."
Uit Boerstoels teksten blijkt dat hij een melancholieke kijk op de wereld heeft. Jaap Fischer en Simon Carmiggelt waren zijn voorbeelden.
Fischer sprak hem erg aan omdat hij zowel de tekst als de muziek en de uitvoering perfect combineerde. "Die complete eenheid van zijn
werk, ¬met de wat sombere ondertoon, die hij nu onder de naam Joop Visser het publiek toont, bewon¬der ik nog steeds en wat Carmig¬gelt betreft zijn het vooral zijn licht ironische, deerniswekkende gedich¬ten die ik geweldig vond. Van zijn 100 leesgedichten was ik nogal gechar¬meerd."
-U schreef altijd teksten op rijm.
"Ja, ik heb vrijwel altijd gerijmd, op een enkele uitzondering na en dat was dan ook geen succes. Rijm ligt mij goed en ik houd van het lied, wellicht ook omdat het met het uitdragen van een soort bood¬schap te maken heeft. Het lied heeft een veel grotere ver¬spreiding dan wanneer je alleen maar voor het papier schrijft. Als je alleen maar leesgedichten schrijft dan komen ze in een blad of eventu¬eel tezijner-tijd in een bundel, maar dan bereik je toch maar een beperkt aantal mensen. Het lied heeft meer pamflettis¬tische aspecten en dat heb ik altijd aardig gevonden en waarschijnlijk heb ik me er daarom het meest mee beziggehouden."