Benali, Abdel Kader


DIE DROOM WILDE IK TOT VERHAAL MAKEN

Abdelkader Benali woont in Leiden in een huis met drie andere jongens. Zijn kamer is rommelig en wanordelijk in tegenstel¬ling tot wat hij zelf uitstraalt: een nette in het zwart geklede jongen die met zorg zijn woorden kiest. Aan de muur een affiche met de kleurrijke afbeelding die ook de omslag van zijn boek Bruiloft aan zee siert. 'Dat is naar een schilderij van Matisse, 'Uitzicht op Tanger', zegt Benali.

Abdelkader Benali (1975) is geboren in Ighazzazen, Marokko. Hij woont sinds 1979 in Nederland en studeert geschiedenis in Leiden. Hij heeft de Geertjan Lubberhuizenprijs 1996 gewonnen voor zijn bij uitgeverij Vassalluci verschenen debuutroman Bruiloft aan zee. Het is een verhaal van een reis naar Marokko vol heimwee en culturele verwarring en werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 1997. Inmiddels beleefde het boek een achtste druk en zijn de vertaalrechten verkocht aan onder meer Engeland, Frankrijk en Denemarken. Benali won de eerste prijs bij literaire wedstrijden van de Kunstbende
(gepubliceerd in Trouw), El Hizjra (tweemaal) en de door de Leidse universiteit uitgeschreven lustrumwedstrijd, die hem een jaar gratis studeren opleverde.

'Als men Bruiloft aan zee wil terugbrengen tot een verhaal over een jongen op zoek naar zijn oom die zijn eigen huwelijk wil ontvluchten doet men de debutant Abdelkader Benali onrecht aan', luidt het persbericht Libris Literatuur Prijs 1996. En: 'Natuurlijk, zijn vertelling gaat over de twintigjarige Lama¬rat Minar, die in de Mercedes-taxi van Chalid, de alwetende kluizenaar van het asfalt, over de Marokkaanse wegen rijdt om de naar een hoerenkast gevluchte oom Mosa op te sporen zodat die kan trouwen met Rebekka, zijn nicht en Lamarats zus. Maar de manier waarop Benali deze vertelling opbouwt is verrassend, virtuoos en spannend. Alle familie- en dorpsverhalen uit verleden en heden komen in de taxi samen. Nederland en Marokko vervloeien als het ware. Sterker nog, Benali's zinnen versnel¬len en vertragen zich net zoals Chalids taxi; zijn verhalen vertakken zich in ogenschijnlijke terzijdes en terugblikken om dan daarna weer via een paar haarspeldbochten en kronkelwegen op de hoofdweg terug te keren. Uiteindelijk, na vruchtbare omwegen en veel omhaal van woorden weet Lamarat zijn oom uit de hoerenkast te halen waarna Mosa een zoete wraak in zee te wachten staat, te volvoeren door zijn bruid Rebekka.
Benali's romandebuut is een zwarte komedie waarin twee cultu¬ren botsen en culturele grenzen verschuiven. Benali schrijft over doorgebeten navelstrengen, culturele verwar¬ring, leven tussen twee vaderlanden. Het met veel vertellust geschreven verhaal schiet heen en weer tussen Marokko en Nederland, tussen heden en verleden. De jury vond Benali's roman het belangrijkste debuut van 1996.'

Recensist Hans Goedkoop schrijft in een bespreking over Be¬nali:

'Terwijl de meeste Nederlandse schrijvers pas debuteren rond hun dertigste, of zelfs ver daarna, duikt onder de tweede generatie allochtonen sinds een jaar of wat de ene schrijver na de andere op die nog maar net, of nog niet eens, meerderja¬rig is. Hans Sahar was eenentwintig toen zijn eerste boek Hoeze bloedmooi verscheen, Naima El Bezaz (De weg naar het noorden) twintig en Mustafa Stitou (Mijn vormen) negen¬en¬twin¬tig en Benali met Bruiloft aan zee tweeëntwintig. Het is geen reden om het stel meteen tot stroming uit te roepen, maar ik maak me sterk dat hun vroegrijpheid, of in elk geval hun haast, iets te maken heeft met hun achtergrond. Met een ge¬meenplaats van jewelste: ze zijn opgegroeid in twee cultu¬ren, Westers en Arabisch, christelijk en islamitisch en ze moeten die tot één zien te versmelten. Wie geen ondubbel¬zinnig huis heeft, moet er zelf een maken en dat ze daar taal voor gebrui¬ken en daar begint de literatuur, ligt misschien wel voor de hand. Taal is moraal. Wie macht over de taal heeft, heeft macht over zijn wereld en wie meer dan één wereld heeft die kon wel eens meer dan anderen behoefte hebben aan die macht. Eigen taal is eigen moraal is eigen wereld.'

Gaat het jou ook vooral om de macht van de taal? vraag ik Benali.

'Binnen de taal is heel veel mogelijk. Als je eenmaal door hebt hoeveel woorden er in je hoofd zitten, en ze liggen eigen¬lijk al klaar voor gebruik, dan geeft het een vrij gevoel daarvan te pakken en er naar eigen zin gebruik van te maken.
Dat is de macht van de taal en ook het feit dat jij naar eigen behoefte doet wat je wilt met die taal, dat er niets voorge¬schreven is. Iedereen heeft natuurlijk baat bij de taal, demagogen, filosofen, dictators, marktkoopmannen, huisvrouwen, allen hebben die taal nodig om zich een identiteit te vormen.
Als schrijver heb je een ander doel voor ogen, je bent niet bezig met het mennen van een volk of met het bij de les houden van je kinderen. Maar met iets daar tussen in. Ik put uit twee bronnen, het huiselijke wat dicht op me zit en het hogere en daartussen bemiddel ik. Onder het huiselijke versta ik dan het stil voorbij gaan van de dingen en het hogere is voor mij het drama, de tragedie.'

'Benali schrijft zoals een mixer mixt', aldus Goedkoop. En: 'tradities, genres, oosters, westers, hij gooit alles door elkaar en roert het tot een melting pot van stijlen. Flarden Berbers of Arabisch of een gruwzame vertaling uit het Engels (bij de weg) of jargon van het Internet, voor hem zijn er klaarblijkelijk geen vloekende taalregisters.'

Alles mag en kan in de taal, je wilt je niet binden aan één stijl. Taal is je drijfveer, het verhaal is ondergeschikt.

'Je kan het vergelijken met een acteur aan wie van tevoren wordt verteld welk verhaal hij moet vertellen. De acteur is nog heel jong en heeft heel veel in zijn kop zitten. Hij komt op en hij vertelt bijvoorbeeld het verhaal van Roodkapje. Hij begint te vertellen en ineens klapt hij dicht: nee, denkt hij dit is niet de goede opkomst, ik moet terug en het anders doen. Dat kan een paar keer zo gaan, en dan komt hij erachter dat het verhaal van Roodkapje niet eenduidig is, maar dat het zich op vele manieren laat vertellen. Naar gelang de stemming van de acteur krijgt het verhaal een andere lading en blijkt het verhaal afhankelijk te zijn van zijn manier van vertellen. Dat geeft zekerheid, maar ook onzekerheid, want hij weet: het gaat niet zozeer om het verhaal maar om de veeleindigheid, omdat er zoveel verschillende stemmingen zijn en in die zin is het verhaal inderdaad ondergeschikt aan de taal.'

In 1979 liet Benali's vader, een slager, zijn gezin overkomen naar Rotterdam. Thuis spreken ze Berbers, mooi Berbers zegt Benali daar nadrukkelijk bij.

Je werd thuis niet opgevoed met boeken, je ouders lazen niet.

'Wat ik van huis uit mee heb is de gemakzucht van de taal, van het vertelde woord. Dat je opgroeit binnen een vrij grote familie, waarin alles mondeling wordt overgedragen en je dus heel goed moet luisteren, maar waar je ook vaak tegengestelde stemmen hoort. En dat bepaalt je voor een gedeelte. We keken veel tv met z'n zessen en gaven commentaar op het gebodene en dan moest je altijd scherper zijn dan de ander, wilde je een punt scoren. Ik was niet altijd scherp, maar als ik het was, was het erg raak, zei Benali, voordat ik hem kon vragen of hij in het gezin vaak bovendreef.'

En die liefde voor het schrijven?

'Het was niet zo dat ik op een dag zei: ik word schrij¬ver. Ik deed mee aan die schrijfwedstrijden omdat ik een prijs wilde winnen, niet dat ik nu zo verliefd was op taal. En als ik niet door Vassalluci was gecontracteerd had ik misschien nooit gepubliceerd. Daar ging het me ook niet om, het ging me meer om het vertellen, om de energie die vrijkwam. Wat daarna gebeurde was secundair. Toen ik leerde lezen met de handje¬klap methode leerde ik ook schrijven. Dat vond ik leuk, vooral om het vrije gevoel wat ik ervaarde als ik een verhaaltje schre¬ef. Zo is het begonnen.'

Je bent een allegaartje van culturen, je bent een Berber uit de Arabische wereld die naar Nederland ging. Dat lijkt me verwarrend.

'Ik begrijp het thema van culturele verwarring goed, maar ik heb daar zelf nooit zo'n last van gehad. Nu ik ouder gewor¬den ben zie ik wel dat dat pro-bleem speelde, maar toen ik er als jong kind middenin zat, speelde het niet voor me. Het ging er om dat je je identiteit hervond en dat gold niet alleen voor mezelf maar voor mijn hele familie. Je wordt erg op jezelf gedrukt en moet gaan bepalen: wat wil ik, hoe over¬leef ik op korte termijn? Dat is me vrij gemakkelijk afgegaan, ik ben niet zo defensief inge¬steld, scherm me niet zo af. Ik ben een gladiator, ga het gevecht aan, omdat er voor mij geen andere weg is. Ik heb bijvoorbeeld zelf mijn Middel¬bare School uitge¬kozen en ben zelf lid geworden van een bibli¬otheek waar ik elke week naar¬toe ging. Wat die schoolkeuze betreft ben ik niet helemaal eerlijk, want die werd beïnvloed door mijn verliefd zijn op een heel leuk meisje.'
Benali lachte schaterend: het werd niets, de liefde bleef onbeantwoord!

Benali voelt zich niet verwant met andere Marokkaanse schrij¬vers als Sahar en Bouazza. 'We komen uit hetzelfde geografi¬sche gebied dat is alles. Als ik met hen praat blijkt dat ze totaal anders zijn, dat blijkt ook uit hun schrijfstijl. Wel zijn we alle drie erg eigenwijs. Met wie ik graag omga is de dichter Mustafa Stitou, alhoewel we literair ver¬schil¬len zijn we goede vrienden.'

Benali schrijft een mengelmoes van Berbers, Engels, Nederlands en de straattaal uit de Rotterdamse volkswijk het Oude Westen. Hij probeert alles uit.

Je bewondert Rushdie. Onder meer omdat hij alles uitpro¬beert?

'Zijn manier van schrijven met veel humor, sarcasme en ironie is erg evocatief en prikkelend, heel anders dan alles wat ik ervoor had gelezen. Zijn werk was een eyeopener voor me. Hij was de eerste schrijver die mij duidelijk maakte dat alles mag en kan en dat maakte zo'n indruk dat ik er zelfs een beetje duizelig van werd. Alles loopt door elkaar bij hem en zijn thema's, immi- en emigratie, godsdienst en de versplin¬terde identiteit spreken mij aan. Dat zijn dingen die dicht op de huid zitten. Hij is iemand die veel gelezen en gezien heeft en duidelijk met zichzelf bezig is geweest: wie ben ik, wat wil ik, wat kan ik hopen? Waarom gebeuren dingen zoals ze gebeu¬ren? Als Rushie iets doet, vraagt hij zichzelf altijd af of hij iets nieuws brengt, of hij inventief is. Dat probeer ik ook. Laatst dacht ik: ik zou eens iets moeten schrijven in de vorm van een gefingeerde biografie, over iemand dus die nooit heeft bestaan. Fictief in een bepaald soort tijd.
Maar toen kwam ik laatst een boekje van Alain De Button tegen, schrijver van onder meer 'How Proust can change your life' en die bleek al zo'n biografie te hebben geschreven. Dus dan doe ik het niet meer, dat zou een cliché zijn.'

Je voelt je als allochtoon niet aan de zijlijn staan en zeker niet als schrijver?

'We zijn geëngageerde allochtonen en zeggen: nee, we zijn niet weg te stoppen want we zijn er nu eenmaal èn we zijn er ook goed en dan moet je ook meedoen en wat laten zien. Ik geef me ook rekenschap van die wisselwerking. We zijn een minderheid, ook als schrijver, binnen de overheersen¬de Wester¬se cultuur, van katholicisme en calvinisme, wat me natuur¬lijk niets zegt aange¬zien ik opge¬groeid ben met moskeegan¬gen en de rama¬dan. Dat is een andere wereld en toch ben ik hier en kan kiezen en zeggen: nee, ik trek me terug en houd aan mijn eigen waarden vast, of ik zeg: nee, dat is niet realistisch, ik kan niet iets tot fictie maken en onderdeel van een verhaal worden en dat doe je als je conser¬vatief blijft. Door mee te doen en de confronta¬tie aan te gaan, leef je pas echt. Maar iemand die echt leeft heeft ook fictie nodig en die schrijf ik voor mezelf en die fictie is eigenlijk weer heel conservatief, een geloof op zich. Dus wat dat betreft verandert er niet zo heel veel.
Wat de confrontatie betreft: je bent altijd bezig met je teweer te stellen of naar binnen te dringen. Dat zijn twee bewegingen die vragen oproepen.
Brodsky zei eens in een essay: als minderheid ben je gezegend want je leert nederig te zijn, je bent nu eenmaal het product van een beweging. Wat er ook met je gebeurt, of het goed of slecht gaat het is altijd wel interessant. Het is ook meteen het failliet van de minderheid, zei hij, want je bent altijd boeiend. Het is grappig om blij te zijn met wie je bent, maar tegelijkertijd verdrietig te zijn omdat je weet dat er geen ontsnapping uit die cirkel mogelijk is. Je bent nu eenmaal iemand die moet schrijven. Als Marokkaanse schrijver kijk ik toe, en waarom? Omdat ik zelf niets heb om naar te kijken. Ik moet altijd naar anderen kijken om mijn eigen identiteit te vormen, terwijl anderen hun identiteit hebben meegekregen. Zij kijken naar zichzelf en hebben een geschiedenis, ze hebben Europese wor¬tels. Als ik naar mezelf kijk heb ik geen geschie¬denis van Europa in me. En om dat gemis op te vullen probeer ik mijn eigen geschiedenis te bedenken. En dat doe ik door fictie te schrijven en daar moet je nederig voor zijn, want je moet je ego wegdrukken en waarlijk kijken naar de dingen om je heen. Dat is je rijkdom en dat mag ik nooit vergeten. Zodra ik dat vergeet is het afgelo¬pen.'

Bruiloft aan zee is doordrenkt van de oude traditie: als de oom naar de hoeren gaat of als de bruiloft dreigt mis te lopen wordt er steeds weer besmuikt gefluisterd over haram, over schaamte en schuldgevoel. Maar allerlei symbolen wijzen er tegelijk op dat de oude traditie aan het vervallen is. Het nieuwe huis dat de vader van Lamarat in Marokko laat bouwen brokkelt af nog voordat het uit de steigers is; de bruiloft vindt plaats in een uitgestorven plaatsje.
'Er gaat heel veel verloren', beaamt Benali. 'Sinds we Europa hebben ontdekt is het grote vergeten van de traditie begonnen. Ik zit net op het breukvlak: ik ben streng opgevoed in de traditie, maar tegelijkertijd kan ik die traditie niet meer met mezelf verenigen. Het geldt voor veel mensen van mijn generatie en men gaat er op een vrij slinkse maar beschaafde wijze mee om, want je hebt toch te maken met je familie, met je ouders vooral, die wel in de traditie leven.'

Hoe ontstond het idee voor 'Bruiloft aan zee'?

'Dat is wel een leuk verhaal. Ik werd op een ochtend wakker en het was alsof ik een droom had gedroomd waarin ik op een brui¬loft was en waar in de loop van de drie dagen waarin die bruiloft duurde alle mensen verdwenen. Die droom wilde ik tot verhaal maken, dat was de eerste aanzet tot het schrijven van wat Bruiloft aan zee geworden is.'

De thema's in je roman zijn onder meer heimwee, culturele verwarring en verlangen. En in je verhalen?

'Daar kwamen hele andere dingen aan de orde. Die verhalen passen binnen een veel groter verhaal. Ik had tot voor mijn roman nog nooit iets gedaan met Marokko, met die andere kant van de lijn. In mijn verhalen speelden Nederlandse personen in bepaalde Nederlandse situaties. Het was heel erg híer. Daarna wilde ik een boek schrijven dat zich in Marokko afspeelt. Het mag desnoods na één regel in Nederland plaatsvinden maar het moet wel zich ergens daartussen afspelen; het moet in ieder geval met Marokka te maken hebben. In dit geval met dat ene dorpje aan zee. Dat was ook een nieuwe uitdaging voor me.
Ik heb er veel plezier aan gehad dat verhaal te beschrijven, ook omdat er een lijn in zit die van Marokko naar Nederland loopt, als een droom waarin zich alles tegelijkertijd af¬speelt, onder en boven elkaar en niemand die eigenlijk kan zeggen: stop, dit klopt niet, want in een droom ben je over¬geleverd aan je onderbewuste. Dat vond ik leuk, de verhalen stoppen niet bij de grens, ze gaan er altijd over.'

Recensent Goedkoop zegt: 'Wat er nog mist is de dwingende vorm en concentratie.'

'Dat ben ik wel met hem eens. Ik heb mijn boek in zeven maan¬den geschreven, er was geen tijd voor con¬templatie en concen¬tratie, ik moest het verhaal vertellen daar ging het om, ik had geen tijd voor constructies, nu wel. De bron van het begin is het verhaal, in den beginne was er... en dat is belangrijk, niet het skelet, dat komt allemaal wel. Ik ben nu bezig met een toneelstuk over 'De ongelukkige' van Couperus voor De Toneelschuur in Haarlem. Daar ben ik voor gevraagd. De onge¬lukkige was de laatste vorst van het Moorse Rijk, hij is de laatste grote Islamitische vorst in het Westen. Hij verliest uiteindelijk de strijd tegen de Katholieke koningen en daar gaat het over. Ook over Columbus en dit is wel constructie en niet zo'n klein beetje ook. De première is op 1 januari 1999 en ik werk er hard aan, want het moet over vijf maanden af zijn. Het gaat ook weer over dromen en over iemand anders worden. Het is een heel mooi Hamletachtig verhaal, waarvan het thema mij aanspreekt. Opnieuw een uitdaging.'


Ellen de Jong